Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE8908

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-12-2002
Datum publicatie
03-12-2002
Zaaknummer
02091/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE8908
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 243
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 675
NJ 2004, 353 met annotatie van D.H. de Jong
NBSTRAF 2003/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 december 2002

Strafkamer

nr. 02091/01

ES/SMA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 21 mei 2001, nummer 22/000197-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 21 december 1999 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair, 2 meer subsidiair, 2 meest subsidiair, 3 primair, 3 subsidiair, 3 meer subsidiair, 3 meest subsidiair, 4 primair en 4 subsidiair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1 subsidiar "met iemand van wie de dader weet dat zij in staat van bewusteloosheid of lichamelijke onmacht verkeert handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam" veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk toegewezen en haar in die vordering gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld. De benadeelde partijen

[slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft het Hof niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

1.2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraken, is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit. Het betoogt dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte wist dat [slachtoffer 1] in staat van bewusteloosheid of lichamelijke onmacht verkeerde.

3.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 1 subsidiair, voorzover hier van belang, bewezen verklaard dat:

"hij op 15 en/of 16 juni 1999 te Rotterdam met [slachtoffer 1], van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer 1] in staat van bewusteloosheid of lichamelijke onmacht verkeerde, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] (...)."

3.3. Ingevolge art. 243 Sr is strafbaar "hij die met iemand van wie hij weet dat hij in staat van bewusteloosheid of lichamelijke onmacht verkeert, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet of onvolkomen in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen pleegt die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam".

3.4. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen, zakelijk samengevat, vastgesteld:

- dat de verdachte heeft waargenomen dat [slachtoffer 1] nadat zij 3 à 4 glazen van een drank vermengd met wodka had gedronken, raar begon te doen en niet meer goed kon lopen;

- dat de verdachte die [slachtoffer 1] vervolgens aan haar armen heeft meegesleept, haar op een buffet heeft neergelegd en aldaar met haar handelingen heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], zulks terwijl die [slachtoffer 1] weg wilde maar zich nauwelijks kon bewegen en wat de verdachte deed niet wilde, hetgeen de verdachte aan het gedrag van het slachtoffer moet hebben gemerkt;

- dat die [slachtoffer 1] vervolgens buiten bewustzijn is geraakt en weer bij bewustzijn kwam in het kantoortje in de kelder;

- dat de verdachte vervolgens bovenop die [slachtoffer 1] is gaan liggen, dat die [slachtoffer 1] hem van zich af heeft proberen te duwen en dat de verdachte opnieuw handelingen met haar heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam, waarbij het slachtoffer zich nog steeds verdoofd voelde en weinig weerstand kon bieden;

- dat die [slachtoffer 1] vervolgens weer buiten bewustzijn is geraakt en niet weet hoe zij thuis is gekomen.

3.5. Op grond van de vorenweergegeven vaststellingen heeft het Hof klaarblijkelijk geoordeeld, welk oordeel niet onbegrijpelijk is, dat het niet anders kan dan dat de verdachte heeft geweten dat het slachtoffer ten tijde van het plegen van de seksuele handelingen in een staat van bewusteloosheid of lichamelijke onmacht verkeerde en dat aldus zijn opzet was gericht op die fysieke weerloosheid van het slachtoffer.

3.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat de bewezenverklaring onder 1 subsidiair, ook voor wat betreft het in het middel bedoelde onderdeel daarvan, naar behoren is gemotiveerd. Dat brengt mee dat het middel tevergeefs is voorgesteld. Niettemin vindt de Hoge Raad aanleiding om hierna de in het middel aan de orde gestelde vraag te bespreken of onder het begrip "weten" in art. 243 Sr ook het opzet in voorwaardelijke vorm is begrepen.

3.7. De delictsomschrijving van art. 243 Sr bestreek tot de inwerkingtreding van de wet van 9 oktober 1991, Stb. 1991, 519 alleen de vleselijke gemeenschap buiten echt met een vrouw van wie de dader wist dat deze in staat van bewusteloosheid of onmacht verkeerde. Bij genoemde wet is de werkingssfeer van die bepaling uitgebreid in die zin dat zij - voor wat betreft handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam - personen is gaan betreffen van wie de dader weet dat zij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van hun geestvermogens lijden dat zij niet of onvolkomen in staat zijn hun wil omtrent de in die bepaling genoemde handelingen te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden.

Die verruiming van de reikwijdte van art. 243 Sr is ingegeven door de gedachte dat de bescherming die die bepaling tot dan toe bood aan fysiek weerloze personen tegen seksuele handelingen diende te worden uitgebreid tot diegenen die tengevolge van een geestelijke handicap niet of onvoldoende in staat zijn hun wil ten aanzien van dergelijke gedragingen te bepalen.

De wetsgeschiedenis van het oorspronkelijke art. 243 Sr biedt aanknopingspunten voor de opvatting dat de wetgever onder "weten" als in die bepaling bedoeld, niet ook het voorwaardelijk opzet heeft willen begrijpen (vgl. H.J. Smidt II (1881), blz. 308). Niettemin moet tegen de achtergrond van bedoelde wetswijziging en de in de ontstaansgeschiedenis daarvan benadrukte noodzaak tot bescherming van weerloze personen, met inbegrip van de bij die wetswijziging toegevoegde categorie van personen, worden aangenomen dat naar het thans geldend recht van de in art. 243 Sr bedoelde wetenschap van de dader ook dan sprake is indien komt vast te staan dat deze willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer in enige in die bepaling bedoelde toestand verkeerde. (Vgl. HR 12 februari 2002, NJ 2002, 328 en HR 12 februari 2002, NJ 2002, 329).

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Braber, en uitgesproken op 3 december 2002.