Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE8457

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2002
Datum publicatie
06-12-2002
Zaaknummer
C01/095HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE8457
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 667
NJ 2003, 63
RvdW 2002, 202
TvI 2003, p. 71 met annotatie van J.B. Huizink
Ondernemingsrecht 2003, 12 met annotatie van B. Bier
JWB 2002/453
JOR 2003/3 met annotatie van C.J. Groffen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 december 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/095HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E.D. Vermeulen,

t e g e n

Mr. Jacobus Leonardus Maria ARTS, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Internationaal Boom- en Heestercentrum B.V. te Rijsbergen, wonende te Ulvenhout,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - heeft bij exploit van 3 juli 1992 onder meer eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen aan de curator te betalen primair een bedrag van ƒ 490.380,--, subsidiair een bedrag van ƒ 350.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 1990, althans vanaf 3 juli 1992, tot aan de dag van voldoening;

[eiser] heeft de vordering van de curator bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 1 maart 1994 een deskundigenonderzoek bevolen en - voorlopig - een aantal vraagpunten geformuleerd, drie deskundigen benoemd, de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door partijen over de voorgestelde vraagpunten en over de voorgestelde deskundigen, en iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen het vonnis van 1 maart 1994 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De curator heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 25 maart 1996 heeft het Hof op het principaal en het incidenteel hoger beroep het vonnis waarvan beroep bekrachtigd en de zaak ter verdere afdoening naar de Rechtbank te Breda verwezen.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 29 oktober 1996 een deskundigenonderzoek bevolen, deskundigen benoemd en vragen geformuleerd en bij tussenvonnissen van 17 december 1996 en 21 januari 1997 deskundigen vervangen. Na deskundigenbericht heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 16 december 1997 een aanvullend deskundigenonderzoek bevolen. Na ontvangst van het aanvullend deskundigenbericht heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 26 januari 1999 de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een conclusie na tussenvonnis door [eiser] en bij eindvonnis van 6 juli 1999, voorzover in cassatie van belang, [eiser] veroordeeld om aan de curator te betalen een bedrag van ƒ 490.380,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 mei 1990 tot aan de dag der algehele voldoening.

Tegen het vonnis van 6 juli 1999 heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 31 oktober 2000 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het Hof van 31 oktober 2000 is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen laatstvermeld arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

[Eiser] heeft de zaak namens zijn advocaat doen toelichten door mr. W.H. van Hemel, advocaat te Amsterdam, en de curator heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 18 oktober 2002 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2 vermelde feiten.

3.2 Het gaat in deze zaak om de vraag of de accountantsverklaring van [eiser] over de waarde van de inbreng op aandelen bij de oprichting van de later gefailleerde vennootschap Internationaal Boom- en Heestercentrum B.V. (hierna: de vennootschap) voldoet aan de daaraan te stellen eisen, nu de waarde van de daarbij ingebrachte onroerende zaken (veel) lager was dan volgens die verklaring en, indien dat laatste het geval is, of en zo ja tot welk bedrag de curator in het faillissement van de vennootschap terzake schadevergoeding kan vorderen. Eén van de twee oprichters van de vennootschap, de Stichting Bevordering Tuinbouwbelangen (hierna: de Stichting), heeft behalve een bedrag van ƒ 300.000,-- in contanten de onderneming die zij vanaf juli 1987 had gedreven onder de naam "Internationaal Boom- en Heestercentrum (I.B.H.)", in natura ingebracht. Het voornaamste actief van die onderneming waren de onroerende zaken. In de balans van de vennootschap per 30 juni 1988, naar welke balans in de verklaring van [eiser] wordt verwezen, is dat onroerend goed voor ƒ 800.000,-- opgenomen, terwijl de verkoopwaarde toen, naar de vaststelling van de Rechtbank, waarvan ook het Hof - in cassatie niet bestreden - is uitgegaan, ƒ 290.000,-- was.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] als schadevergoeding aan de curator het verschil tussen die beide bedragen dient te betalen, dat wil zeggen ƒ 510.000,--. Omdat de curator (primair) ƒ 490.380,-- heeft gevorderd, heeft de Rechtbank dat laatste bedrag toegewezen. Het Hof heeft de grieven tegen deze beslissing verworpen.

3.3.1Onderdeel 1 betoogt dat de accountantsverklaring van [eiser] ondanks het hiervoor bedoelde waardeverschil juist kan zijn, namelijk indien de totale waarde van de inbreng desondanks ten minste even hoog was als het bedrag van de stortingsplicht. Het Hof heeft zich aangesloten bij het oordeel van de Rechtbank dat [eiser] er niet in is geslaagd aan te tonen dat de totale waarde van de inbreng zo hoog was. De motivering van dit oordeel, die het Hof eveneens heeft overgenomen, houdt in dat de waarde van eventuele goodwill van de ingebrachte onderneming, waarop [eiser] zich in dit verband heeft beroepen, niet kan bijdragen tot het bedrag van de minimale stortingsplicht, omdat de factor goodwill buiten beschouwing is gebleven bij de waardering van de inbreng. Dienovereenkomstig heeft het Hof in rov.4.5 als volgt overwogen:

"Zoals [eiser] bij pleidooi voor dit hof heeft verklaard heeft hij bij het opstellen van zijn verklaring met goodwill geen rekening gehouden. Het buiten beschouwing laten van goodwill is ook uitdrukkelijk erkend in de conclusie van antwoord (5.3) zijdens [eiser] in dit geding. De inbrengverklaring verwijst naar de waarde van hetgeen volgens de beschrijving wordt ingebracht en in de beschrijving wordt goodwill niet genoemd. De oprichtingsbalans van 30 juni 1988 laat over het eerste half jaar een verlies zien van ƒ 362.246,--. Het bestaan van enige goodwill moet onder deze omstandigheden onaannemelijk worden geacht. Wat van dit laatste ook zij, nu bij de waardering en de beschrijving van de waarderingsmethode geen goodwill in aanmerking is genomen, kan deze thans niet worden opgevoerd om te verdedigen dat de verklaring deugdelijk was."

3.3.2 Volgens onderdeel 1 miskent het Hof met dit oordeel dat het bij de beoordeling van de juistheid van de verklaring van [eiser] erom gaat of met de inbreng van de onderneming aan de stortingsplicht is voldaan, en dus niet om de vraag op welke wijze [eiser] de inbreng heeft gewaardeerd, maar wat de werkelijke waarde van de inbreng was, met andere woorden hoe een zorgvuldig en bekwaam accountant de onderneming in redelijkheid had mogen waarderen. Beslissend is of ten tijde van de inbreng van de onderneming de werkelijke waarde daarvan (samen met de storting in contanten) ten minste het in de verklaring van [eiser] genoemde bedrag van de stortingsplicht van de betrokken oprichter beliep. In het maatschappelijk verkeer is aanvaard dat bij de waardering van een in te brengen onderneming rekening mag worden gehouden met goodwill wanneer daar aanleiding toe is. Nu [eiser] had gesteld dat hij bij de waardering van de ingebrachte onderneming rekening had kunnen houden met goodwill ter waarde van ƒ 1.120.000,--, kan zijn verklaring dat de totale waarde van de inbreng ten minste het in de verklaring genoemde bedrag van de stortingsplicht bedraagt, juist zijn, ook al is die goodwill niet als afzonderlijk bestanddeel op de balans van de onderneming opgenomen. Het andersluidende oordeel van het Hof geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting of het is onvoldoende gemotiveerd, aldus nog steeds het onderdeel.

3.3.3 Volgens artikel 2:204a lid 2 BW moet de accountant zijn verklaring afleggen over de volgens lid 1 door de oprichters gemaakte "beschrijving van hetgeen wordt ingebracht". In het wetsvoorstel voor de overeenkomstige bepaling met betrekking tot de naamloze vennootschap (toen art. 2: 94) stond hier aanvankelijk "beschrijving van de in te brengen goederen". Uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.3 vermelde wetsgeschiedenis blijkt dat met de uiteindelijke tekst is bedoeld tot uitdrukking te brengen dat ook waarden als goodwill en knowhow kunnen worden ingebracht; kennelijk is met deze wijziging van de redactie overigens geen verandering in betekenis bedoeld. De strekking van de bepalingen omtrent de inbreng in natura en de accountantsverklaring is, naar volgt uit hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.4 en 2.5 is vermeld over de wetsgeschiedenis van de overeenkomstige bepaling voor de naamloze vennootschap (thans art. 2: 94a) en de Europese Richtlijn waaraan die bepaling is ontleend, het bieden van een waarborg dat de waarde van de inbreng in natura niet wordt "opgeblazen", dat wil zeggen een waarborg voor de juistheid van de door de oprichters aan die inbreng toegekende waarde, dit met het oog op de bescherming van zowel aandeelhouders als derden. Weliswaar is de accountant vrij een andere waarderingsmethode - mits in het maatschappelijk verkeer aanvaardbaar - te kiezen dan de oprichters in de beschrijving, maar het zou in strijd zijn met de hier bedoelde strekking van de wet te aanvaarden dat de accountant zich in zijn verklaring in die zin zou mogen losmaken van de beschrijving, dat hij (stilzwijgend) rekening zou mogen houden met andere dan de door de oprichters in de beschrijving genoemde goederen. Het zou ook niet met de waarborgfunctie van de accountantsverklaring in overeenstemming zijn als bij de beoordeling van de vraag of de waarde van de ingebrachte goederen ten minste het in de verklaring genoemde bedrag van de inbrengplicht beloopt, de waarde van goederen die niet in de beschrijving staan in aanmerking zou mogen worden genomen.

3.3.4 Bij zijn bestreden oordeel heeft het Hof - evenals de Rechtbank bij haar oordeel - klaarblijkelijk tot uitgangspunt genomen dat in de beschrijving die in dit geval is opgemaakt, geen goodwill wordt genoemd. Voorzover het onderdeel berust op de opvatting dat naar het oordeel van het Hof de verklaring van [eiser] de hiervoor in 3.2 bedoelde onderneming in haar geheel betrof en niet slechts de in de beschrijving vermelde activa van die onderneming, berust het dan ook op onjuiste lezing van het arrest van het Hof en mist het derhalve feitelijke grondslag. Ook voor het overige kan het onderdeel niet tot cassatie leiden. Bedoeld uitgangspunt van het Hof, waarvan de feitelijke juistheid in cassatie overigens niet wordt bestreden, is niet onbegrijpelijk, gezien de inhoud van de verklaring en de beschrijving. Overeenkomstig de vermelding in de akte van oprichting van de vennootschap dat de Stichting inbracht "alle activa, zoals deze zijn vermeld op de aan deze akte aangehechte en door de comparanten ondertekende beschrijving (...)", verwijst de beschrijving naar de bijgevoegde balans van de vennootschap per 30 juni 1988 en houdt zij in dat "de onderscheidene activa en passiva" naar die balans worden opgenomen volgens de in de beschrijving vermelde waarderingsmethoden. De verklaring van [eiser] heeft blijkens haar in- houd - overeenkomstig art. 2:204a lid 2 - betrekking op de waarde van hetgeen volgens deze beschrijving wordt ingebracht, dat wil zeggen niet op de waarde van de onderneming als geheel - waarbij eventueel aanwezige goodwill een rol zou kunnen spelen - maar op de waarde van de in de beschrijving (door verwijzing naar de balans) genoemde activa en passiva. Onder die activa is "grond in economisch eigendom" voor ƒ 800.000,-- opgenomen, maar - zoals voor de hand ligt nu het hier om door de onderneming zelf gekweekte goodwill zou gaan - geen goodwill. Nu de uitleg die het Hof aan de verklaring van [eiser] heeft gegeven derhalve tevergeefs wordt bestreden, heeft het Hof, zoals volgt uit hetgeen in 3.3.3 is overwogen, met juistheid geoordeeld dat de waarde van eventueel aanwezige goodwill geen rol speelt bij de beoordeling van de deugdelijkheid van die verklaring. Onderdeel 1 faalt in zijn geheel.

3.4 Onderdeel 2 bestrijdt het oordeel van het Hof in zijn hiervoor in 3.3.1 aangehaalde rov. 4.5 dat het bestaan van goodwill onaannemelijk moet worden geacht. Dit oordeel is van feitelijke aard en in het licht van de stukken van het geding niet onbegrijpelijk. Het is ook niet ontoereikend gemotiveerd. Het Hof mocht in dit verband, zoals het heeft gedaan, betekenis toekennen aan het feit dat de onderneming sinds de oprichting uitsluitend (aanzienlijk) verlies had geleden en behoefde zich niet van zijn oordeel te laten weerhouden door hetgeen [eiser] had aangevoerd omtrent positieve toekomstverwachtingen die ten tijde van het afleggen van zijn verklaring zouden hebben bestaan. Ook dit onderdeel faalt derhalve.

3.5 Onderdeel 3 klaagt over het passeren van een bewijsaanbod van [eiser]. Dit bewijsaanbod hield blijkens zijn formulering, zoals aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.20, een aanbod tot bewijs door deskundigen in. De rechter in feitelijke instanties is vrij al dan niet deskundigenbericht te bevelen. De wijze waarop hij van die bevoegdheid gebruik maakt, kan in cassatie niet getoetst worden. Dit onderdeel faalt eveneens.

3.6 Naar het oordeel van Hof en Rechtbank is door de onjuiste verklaring van [eiser] schade veroorzaakt die in hoogte samenvalt met het verschil tussen de in die verklaring aan de onroerende zaken toegekende waarde en de waarde die daaraan had mogen worden toegekend. Volgens onderdeel 4 geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de causaliteit of is het ontoereikend gemotiveerd. Het onderdeel betoogt dat had moeten worden onderzocht wat zou zijn gebeurd als de onroerende zaken bij de inbreng juist zouden zijn gewaardeerd, en wijst op de mogelijkheid dat de oprichters zich zouden hebben verplicht het tekort ten opzichte van de stortingsplicht dat dan zou zijn gebleken, op andere wijze aan te vullen, of dat zij de stortingsplicht zouden hebben verlaagd. Dat betoog miskent echter dat het Hof, mede gelet op de strekking van de wettelijke regeling met betrekking tot de storting op aandelen, had uit te gaan van de stortingsplicht zoals die was overeengekomen en de wijze waarop daaraan volgens die overeenkomst moest worden voldaan. In aanmerking genomen dat het bestreden oordeel mede berust op de door het Hof van de Rechtbank overgenomen overweging die erop neerkomt dat [eiser] niet had aangetoond dat andere onderdelen van de inbreng het tekort ten opzichte van de stortingsplicht konden goedmaken, geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Mede gelet op hetgeen het Hof - zoals volgt uit het hiervoor in 3.4 overwogene: in cassatie tevergeefs bestreden - met betrekking tot de aanwezigheid van goodwill heeft overwogen, is het bestreden oordeel evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Verder kan het in cassatie niet worden getoetst, zodat ook dit onderdeel faalt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 4.314,18 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 6 december 2002.