Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE8456

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-11-2002
Datum publicatie
02-12-2002
Zaaknummer
C01/093HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE8456
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 646
NJ 2003, 17
RvdW 2002, 194
IER 2003, 17 met annotatie van F.W. Grosheide
JWB 2002/440
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 november 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/093HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], zaak doende onder de naam [C] Productions, wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaten: mrs. J.I. van Vlijmen en M.R. Gerritsen,

t e g e n

1. de vereniging TROS, gevestigd te Hilversum,

2. [Verweerster 2], gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. L.M. Schreuders-Ebbekink,

thans mr. R.S. Meijer.

1. Het geding in feitelijke instanties

[D] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], en [C] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], - verder afzonderlijk te noemen: [D] en [C] - hebben bij exploit van 1 juli 1998 verweersters in cassatie - verder te noemen: de Tros c.s. - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en - voor zover in cassatie nog van belang en verkort weergegeven - gevorderd voor recht te verklaren dat het vervaardigen en openbaar (doen) maken van het televisieprogramma 'Una voce Particolare' door de Tros c.s. een inbreuk vormt op hun auteursrechten op het format, met bevel, op straffe van een dwangsom, tot het staken en gestaakt houden van iedere inbreuk op hun auteursrechten, alsmede de Tros c.s. hoofdelijk te veroordelen tot winstafdracht, alsmede tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, en tot betaling van een voorschot op deze schadevergoeding ten bedrage van ƒ 25.000,--, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente, nader op te maken bij staat.

De Tros c.s. hebben de vorderingen bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 12 januari 2000 het gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft (alleen) [C] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Bij memorie van grieven heeft [C] haar eis vermeerderd met een vordering tot verklaring voor recht dat het format en/of programmavoorstel een werk is/zijn in de zin van artikel 10 van de Auteurswet 1912.

Bij arrest van 21 december 2000 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft eiser tot cassatie, [eiser] als rechtsopvolger van [C], zaak doende onder de naam [C] Productions, beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Tros c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten als vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1 tot en met 2.8.

3.2 Het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel zijn gericht tegen rov. 4.13 van het bestreden arrest. Het eerste onderdeel komt erop neer dat het Hof heeft miskend dat, indien het ten processe bedoelde format, onderscheidenlijk het programmavoorstel, van het televisieprogramma een werk in auteursrechtelijke zin is, het op de weg van Tros c.s. ligt bijzondere omstandigheden te bewijzen waaruit kan volgen dat, ondanks de door het Hof in rov. 4.7 en/of 4.8 genoemde punten van overeenstemming tussen format en/of programmavoorstel van [C] enerzijds en het door Tros c.s. geproduceerde televisieprogramma anderzijds, het programma van Tros c.s. een zelfstandige schepping is die niet de vrucht is van al dan niet bewuste ontlening aan dat werk.

3.3 Deze klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan de klacht veronderstelt, wettigt niet reeds het enkele feit dat tussen een werk waarvoor auteursrechtelijke bescherming wordt ingeroepen en een als inbreukmakend bestreden voortbrengsel punten van overeenstemming bestaan het vermoeden dat het laatste de vrucht is van bewuste of onbewuste ontlening. Daartoe is een mate van overeenstemming vereist die van een zodanige aard en omvang is dat, indien het bedoelde vermoeden niet wordt ontzenuwd, geoordeeld moet worden dat van een ongeoorloofde verveelvoudiging in auteursrechtelijke zin sprake is (vgl. HR 21 februari 1992, nr. 14454, NJ 1993, 164). Aan deze eis is, zoals volgt uit hetgeen het Hof in zijn rov. 4.13 heeft overwogen, in dit geval echter niet voldaan.

3.4 De in het tweede onderdeel vervatte klacht houdt in dat het Hof heeft miskend dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van overeenstemming in evenbedoelde zin, meer gewicht toekomt aan de punten van overeenstemming dan aan de punten van verschil, waarbij de rechter ook de overige relevante omstandigheden in zijn oordeel moet betrekken.

3.5 Ook aan deze klacht ligt een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag, aangezien het voor de bedoelde overeenstemmingsvraag in een geval als het onderhavige erop aankomt of het beweerdelijk inbreukmakende werk in zodanige mate de auteursrechtelijk beschermde trekken van het eerdere werk vertoont dat de totaalindrukken die de beide werken maken te weinig verschillen voor het oordeel dat het eerstbedoelde werk als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt. Blijkens rov. 4.7 tot en met 4.13 heeft het Hof die maatstaf toegepast.

3.6 De eerste twee onderdelen van het eerste middel missen derhalve doel. Voor zover de overige onderdelen van het middel voortbouwen op de hierboven als onjuist aangemerkte rechtsopvatting, delen zij het lot van die onderdelen.

3.7 Voor het overige kunnen de in het eerste middel en in de overige middelen vervatte klachten niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Tros c.s. begroot op € 359,48 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 29 november 2002.