Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE8366

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-10-2002
Datum publicatie
04-10-2002
Zaaknummer
37110
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2002/387
FED 2002/592
WFR 2002/1490
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.110

4 oktober 2002

WHK

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 12 maart 2001, nr. 99/30124, betreffende na te melden aan X B.V. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998 een naheffingsaanslag in de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken opgelegd ten bedrage van ƒ 4.287.161 aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende produceerde in het jaar waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft een alcoholvrije drank, aangeduid als "C". Tot 1 april 1993 werd deze drank uit onder meer wei vervaardigd. Met ingang van 1 januari 1993 worden ingevolge artikel 9 van de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten (hierna: de Wet) uit wei of weiproducten vervaardigde dranken anders dan voorheen onder de Wet op de accijns het geval was, als limonade aangemerkt en dientengevolge vanaf die datum in de heffing van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken betrokken. Onder meer in verband met deze wetswijziging heeft belanghebbende na 1 april 1993 bij het vervaardigen van C het bestanddeel wei vervangen door melkpermeaat.

3.1.2. Wei is de vloeistof die vrijkomt bij het maken van kaas. Melkpermeaat is geen bijproduct van de bereiding van kaas, maar wordt verkregen door middel van ultrafiltreren van melk. Moleculen boven een bepaalde grootte worden door een membraan tegengehouden. De vloeistof die het membraan passeert, permeaat genoemd, bevat alleen kleinere moleculen. De grondstof melkpermeaat is duurder dan de grondstof wei.

3.1.3. De Inspecteur, van mening dat C moet worden aangemerkt als een limonade in de zin van artikel 6 van de Wet, heeft ter zake van de in 1998 verrichte uitslagen van deze drank de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd.

3.2. Volgens artikel 1, lid 2, van de Wet wordt ter zake van de uitslag en de invoer van alcoholvrije dranken een belasting geheven onder de naam verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken. Artikel 6 van de Wet bepaalt dat onder alcoholvrije dranken onder meer limonade wordt verstaan. Als limonade wordt niet aangemerkt de uit melk of melkproducten bereide drank met een gehalte aan melkvetten van 0,02% mas of meer waarin zich melkeiwit en melksuiker bevinden, niet zijnde een uit wei of weiproducten vervaardigde drank (artikel 9, lid 3, aanhef en letter a, van de Wet).

3.3.1. Het Hof heeft overwogen dat tussen partijen vaststaat dat C een uit melk of melkproducten bereide drank is met een gehalte aan melkvetten van 0,02% mas of meer waarin zich melkeiwit en melksuiker bevinden. Omdat C niet uit wei of uit van wei gemaakte producten is vervaardigd, leidt volgens het Hof de eenduidige tekst van laatstvermeld artikellid ertoe dat C niet als limonade kan worden aangemerkt. Aan deze evidente tekst dient in dezen naar 's Hofs oordeel doorslaggevende betekenis te worden toegekend, te meer nu het gaat om een uitzondering die meebrengt dat verbruiksbelasting verschuldigd wordt.

3.3.2. Het middel faalt, aangezien de uitzonderingsbepaling slechts dranken omvat die vervaardigd zijn uit wei of weiproducten en C naar 's Hofs - in zoverre in cassatie niet bestreden - oordeel aan die omschrijving niet voldoet. Op grond hiervan faalt het middel ook voorzover het stelt dat melkpermeaat en (gewijzigde) wei voor 99,7% identieke producten zijn. Dit laatste neemt immers niet weg dat wei en weiproducten enerzijds en melkpermeaat anderzijds niet op dezelfde wijze zijn vervaardigd en te onderscheiden producten zijn, waarvan alleen de eerste vermeld worden in artikel 9, lid 1, letter a, van de Wet.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is op 4 oktober 2002 vastgesteld door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 327.