Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE8149

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-09-2002
Datum publicatie
27-09-2002
Zaaknummer
37003
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1413
Belastingblad 2003/137
BNB 2002/379
FED 2002/575
Belastingadvies 2002/2.2
WFR 2002/1451
V-N 2002/60.7 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.003

27 september 2002

CL

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 maart 2001, nr. BK-98/03347, betreffende na te melden beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Ten aanzien van belanghebbende is bij in één geschrift vervatte beschikkingen de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Z voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op ƒ 443.000.

Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur der Gemeentebelastingen van de gemeente Leiden de beschikking gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak vernietigd, en de beschikkingen in die zin gewijzigd dat de waarde wordt vastgesteld op ƒ 353.000. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. Gelijk overwogen in het arrest van de Hoge Raad van 18 september 1985, nr. 23108, BNB 1985/303, brengt de strekking van de wettelijke regeling van het beroep bij het gerechtshof, vervat in Hoofdstuk II van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, mede dat het hof niet acht mag slaan op stukken door een der partijen overgelegd zonder dat aan de wederpartij van die stukken een afschrift is verstrekt of deze in de gelegenheid is gesteld daarvan inzage te nemen en evenmin indien niet aan de wederpartij de gelegenheid is geboden het hof, hetzij schriftelijk hetzij bij de mondelinge behandeling, van haar gevoelen omtrent die stukken te doen blijken.

3.2. Laatstbedoelde eis brengt voor het onderhavige geval, waarin de Inspecteur bij de mondelinge behandeling van het beroep, blijkens 4.3 van de uitspraak, een nadere analyse heeft overgelegd, die hij gebruikt heeft ter vaststelling van de WOZ-waarde van de vergelijkingsobjecten, mede dat het Hof op dat stuk geen acht mocht slaan zonder hetzij de behandeling van de zaak te schorsen teneinde belanghebbende de gelegenheid te geven zich over de inhoud van dat stuk te beraden en zijn standpunt daaromtrent te bepalen hetzij zich ervan te vergewissen dat belanghebbende voor de bepaling van zijn standpunt aan zodanige schorsing geen behoefte had.

3.3. Nu uit 's Hofs uitspraak niet blijkt dat het een of het ander heeft plaatsgevonden en belanghebbende in cassatie erover klaagt dat hem onvoldoende gelegenheid is gegeven zich over de inhoud van dat stuk te beraden, kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwd onderzoek van de zaak in volle omvang.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

gelast dat de gemeente Leiden aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 160 (€ 72,60).

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2002.