Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE7862

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-09-2002
Datum publicatie
20-09-2002
Zaaknummer
37362
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1373 met annotatie van Van Es
BNB 2002/368
FED 2002/554
FED 2002/646
Belastingadvies 2002/2.1
WFR 2002/1403, 2
V-N 2002/48.21 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.362

20 september 2002

wv

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 mei 2001, nr. BK-99/30727, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 89.382, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 88.319. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is in het kader van zijn dienstbetrekking als wetenschappelijk hoofdmedewerker bij een universiteit bestuurslid van een wetenschappelijke vereniging welke periodiek congressen organiseert. Hij is bij het organiseren van een congres en de voorbereiding van de organisatie van een ander congres betrokken geweest en heeft daarvoor kosten gemaakt. De Inspecteur heeft die kosten en de kosten die belanghebbende heeft gemaakt voor het bijwonen van andere congressen slechts in aftrek toegestaan tot het bedrag van ƒ 3250, het bedrag vermeld in artikel 36, lid 2, letter g, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

3.2. Voor het Hof heeft belanghebbende betoogd dat de kosten die hij heeft gemaakt in verband met het organiseren van congressen niet vallen onder de aftrekbeperking van artikel 36, lid 2, aanhef en letter g, van de Wet. Het Hof heeft dat betoog verworpen.

3.3. De tegen dit oordeel gerichte klacht slaagt. De tekst van artikel 36, lid 2, letter g, van de Wet bevat in de woorden 'met inbegrip van de desbetreffende reizen en het desbetreffende verblijf' een aanwijzing dat de aftrekbeperking enkel betrekking heeft op de kosten van het deelnemen aan cursussen, congressen, seminars, symposia en dergelijke. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling blijkt niet dat de wetgever tevens de kosten welke door een organisator van een in die bepaling bedoeld evenement als zodanig zijn gemaakt, gedeeltelijk van aftrek heeft willen uitsluiten. Dat ligt ook niet voor de hand omdat die kosten, indien en voorzover daartegenover opbrengsten staan in de vorm van bijdragen van de deelnemers, welke volledig tot de inkomsten uit arbeid van de organisator worden gerekend, op grond van artikel 36, lid 2, aanhef en letter g, of artikel 8a, lid 2, van de Wet bij die deelnemers of hun werkgever reeds aan een aftrekbeperking onderworpen zijn. Dit een en ander leidt tot de conclusie dat kosten van het organiseren van een evenement als bedoeld in artikel 36, lid 2, letter g, van de Wet niet vallen onder de aftrekbeperking.

3.4. De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.5. Gelet op het onder 3.3 overwogene is het beroep gegrond. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 160 (€ 72,60).

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en P.J. van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2002.