Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE7843

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-09-2002
Datum publicatie
26-09-2002
Zaaknummer
1349
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE7843
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 554
RvdW 2002, 146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 1349

20 september 2002

AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres tot cassatie,

advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,

tegen

de Landinrichtingscommissie voor de ruilverkaveling "Hefshuizen",

gevestigd te Uithuizen,

verweerster in cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen.

1. Het geding in feitelijke instantie

[eiseres] heeft als reclamante in de ruilverkaveling "Hefshuizen" een drietal bezwaren tegen de Lijst der geldelijke regelingen ingediend. Deze bezwaren zijn behandeld door de Landinrichtingscommissie. Die behandeling heeft niet tot overeenstemming tussen partijen geleid. Ook de rechter-commissaris heeft geen overeenstemming tussen partijen kunnen bewerkstelligen en heeft hen verwezen naar de terechtzitting van de Rechtbank te Groningen.

Bij vonnis van 19 oktober 2001 heeft de Rechtbank de bezwaren van [eiseres] ongegrond verklaard. Een afschrift van dit vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

[eiseres] heeft tegen voormeld vonnis beroep in cassatie ingesteld. Een afschrift van de cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht.

Nadat aanvankelijk tegen haar verstek was verleend, heeft de Landinrichtingscommissie het verstek gezuiverd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Partijen hebben hun standpunt doen toelichten door hun advocaten. [eiseres] heeft gerepliceerd.

De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van het geding naar een gerechtshof.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

[eiseres] is eigenares van een perceel met woonboerderij te [woonplaats]. In het kader van de ruilverkaveling "Hefshuizen" heeft het perceel een andere ontsluiting op de openbare weg gekregen. Vóór de ruilverkaveling kon [eiseres] via een 840 meter lang pad dat over het perceel van een derde in zuidelijke richting liep, de [a-straat] bereiken; daartoe was een erfdienstbaarheid van weg ten gunste van haar perceel gevestigd. Enkele ten noorden van het perceel van [eiseres] gelegen percelen waren eveneens door middel van dit pad ontsloten op de [a-straat]; ten gunste van deze percelen rustte een erfdienstbaarheid van weg op het perceel van [eiseres].

In het kader van de ruilverkaveling is ten noorden van het perceel van [eiseres] een nieuwe openbare weg, de [b-straat], aangelegd. Aan [eiseres] is een strook grond toebedeeld, waarover zij via een verhard pad van ongeveer 100 meter lang deze weg kan bereiken; de noordelijk van het perceel van [eiseres] gelegen percelen zijn eveneens op de [b-straat] ontsloten. In verband hiermee zijn de hiervoor vermelde erfdienstbaarheden vervallen.

3.2.1. Onderdeel 1 van het middel herhaalt het door [eiseres] tegen de Lijst der geldelijke regelingen aangevoerde bezwaar dat door het vervallen van het overpad naar de [a-straat] en de vervanging van dat overpad door een weg naar de [b-straat] de weg die zij moet afleggen om (de voorzieningen van) het dorp [woonplaats] te bereiken aanzienlijk is verlengd, zodat zij eerder een nadeel dan een voordeel ondervindt van de gewijzigde toegangsweg van haar perceel; op grond hiervan heeft zij bezwaar gemaakt tegen de waardering van de afstand van haar perceel tot de openbare weg op 75 punten en heeft zij betoogd dat daarbij ten onrechte geen, althans onvoldoende rekening is gehouden met de bijzondere omstandigheden van haar geval, met name de omstandigheid dat zij de boerderij als burgerwoning in gebruik heeft, dat voor haar als niet-agrariër de afstand tot de dorpsvoorzieningen van groter belang is dan de afstand tot de openbare weg, dat die afstand door de ruilverkaveling ongeveer met een factor 3 is toegenomen en dat haar woning geen waarneembare waardevermeerdering heeft ondergaan door de wegaanleg.

3.2.2. De Rechtbank heeft voormeld bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat op grond van het Proces-verbaal van Aanwijzingen het verschil in afstand en kwaliteit tussen inbreng en toedeling, als door de landinrichting verandering is aangebracht in de afstand van een woning of in de kwaliteit van de af te leggen weg tot de dichtstbijzijnde openbare verharde weg, in punten wordt bepaald, dat toepassing van dit uitgangspunt bij reclamante 75 punten à f 200 per punt heeft opgeleverd, dat door of namens reclamante niet aannemelijk is gemaakt dat toepassing van het Proces-verbaal van Aanwijzingen op dit onderdeel voor reclamante leidt tot een onredelijk of nadelig resultaat, en dat de Landinrichtingscommissie de post ontsluiting conform het Proces-verbaal van Aanwijzingen heeft becijferd met als uitgangspunt dat reclamante een behoorlijke ontsluiting heeft verkregen via de [b-straat], welke kwalitatief op hetzelfde niveau is als de uitweg welke zij daarvoor bezat.

3.2.3. Het onderdeel, dat klaagt dat de Rechtbank zonder nadere overwegingen aan de hiervoor in 3.2.1 vermelde stellingen is voorbijgegaan, faalt. Terecht heeft de Rechtbank zich beperkt tot een beoordeling van de vraag of de in het Proces-verbaal van Aanwijzingen vervatte aanwijzingen van de Centrale Landinrichtingscommissie leiden tot willekeurige en onredelijke geldelijke regelingen, welke de wetgever bij de in artikel 210, lid 3, van de Landinrichtingswet aan voormelde commissie gegeven bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad (vgl. HR 22 juni 1988, nr. 1093, NJ 1988, 929), alsmede van de vraag of de Landinrichtingscommissie die aanwijzingen op juiste wijze heeft toegepast. De oordelen van de Rechtbank, waarbij zij eerstgenoemde vraag in ontkennende en laatstgenoemde vraag in bevestigende zin heeft beantwoord, geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijk aard, voor het overige in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onvoldoende gemotiveerd.

3.3. Onderdeel 2 richt zich tegen hetgeen de Rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de post "Opheffing van het recht van weg".

De Rechtbank heeft het desbetreffende bezwaar van [eiseres] verworpen; daartoe heeft zij overwogen dat de erfdienstbaarheid van weg ten laste van het perceel van [eiseres] is vervallen, dat [eiseres] kennelijk van deze erfdienstbaarheid geen kennis heeft gehad, dat zij abusievelijk heeft gedacht dat het ging om het opheffen van de erfdienstbaarheid van weg over een lengte van 840 meter, waarbij haar erf gold als heersend erf, en dat haar verweer, gestoeld op deze verkeerde veronderstelling, dan ook moet worden verworpen.

Terecht voert het onderdeel aan dat deze overwegingen onbegrijpelijk zijn, omdat bij de ruilverkaveling niet alleen de erfdienstbaarheid van weg ten gunste van de ten noorden van het perceel van [eiseres] gelegen percelen - deels over haar perceel - naar de [a-straat] is vervallen, maar ook de erfdienstbaarheid van weg ten gunste van het perceel van [eiseres] naar de [a-straat]. Niet valt in te zien waarom [eiseres] voor het vervallen van laatstgenoemd recht geen vergoeding zou behoren te ontvangen. Daarbij verdient opmerking dat [eiseres] weliswaar in plaats van die erfdienstbaarheid een haar in eigendom toebehorende uitweg op de [b-straat] heeft gekregen, maar dat zij daarvoor ter zake van overbedeling een bedrag van f 2789 en ter zake van basiskosten een bedrag van f 15.000 heeft moeten betalen, zodat niet kan worden gezegd dat zij voor het verlies van de erfdienstbaarheid een vergoeding in natura heeft ontvangen.

3.4. De gegrondbevinding van onderdeel 2 van het middel brengt mee dat het vonnis van de Rechtbank niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Groningen van 19 oktober 2001,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

veroordeelt de Landinrichtingscommissie in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van [eiseres], tot op deze uitspraak begroot op € 390,85 aan verschotten en € 1590 aan salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge, J.C. van Oven en C.J.J. van Maanen, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 september 2002.