Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE7656

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2002
Datum publicatie
13-12-2002
Zaaknummer
1364
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE7656
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 270
BR 2004/44 met annotatie van J.F. de Groot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 1364

Hoge Raad der Nederlanden

Derde Kamer

6 december 2002

SE

Arrest

in de zaak van

de gemeente 's-Gravenhage,

zetelende te 's-Gravenhage,

eiseres tot cassatie,

incidenteel verweerster,

advocaat: mr. P.S. Kamminga,

tegen

[verweerster],

h.o.d.n. [A],

gevestigd te 's-Gravenhage,

verweerster in cassatie,

incidenteel eiseres tot cassatie,

advocaat: mr. C.M.E. Verhaegh.

1. Geding in feitelijke instantie

1.1. Bij vonnis van 18 april 2001, dat op 29 juni 2001 is ingeschreven in de openbare registers, heeft de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op de voet van artikel 77 van de Onteigeningswet ten name en ten behoeve van eiseres in cassatie (hierna: de Gemeente) vervroegd de onteigening uitgesproken van de in dat vonnis omschreven onroerende zaak, bestaande uit een winkelruimte met afzonderlijke bovenwoning, plaatselijk bekend als [a-straat 1-3] te 's-Gravenhage, en voorts - voorzover in cassatie van belang - het voorschot op de schadeloosstelling voor verweerster in cassatie (hierna: [verweerster]) als derde-belanghebbende vastgesteld op ƒ 18.000.

1.2. Bij vonnis van 23 januari 2002 heeft de Rechtbank - voorzover in cassatie van belang - de schadeloosstelling voor [verweerster] vastgesteld op € 13.717,32, waarin begrepen het reeds betaalde voorschot van ƒ 18.000 (€ 8168,04), en op een rente van 4,5% per jaar over € 5549,28 sedert 29 juni 2001 tot 23 januari 2002. Het vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

2.1. De Gemeente heeft het vonnis van 23 januari 2002 bestreden met een middel van cassatie, bestaande uit twee onderdelen. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. In het principale beroep heeft [verweerster] geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de Gemeente in haar beroep, althans verwerping van het beroep. [verweerster] heeft harerzijds, voor het geval dat de Gemeente ontvankelijk zou worden verklaard in haar beroep in cassatie, het vonnis in voorwaardelijk incidenteel beroep bestreden met een middel van cassatie. De conclusie van antwoord, tevens voorwaardelijk incidenteel beroep, is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.3. Nadat de Gemeente in het voorwaardelijke incidentele beroep had geconcludeerd tot verwerping daarvan hebben partijen hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. [verweerster] heeft gedupliceerd.

2.4. De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 13 september 2002 geconcludeerd tot verwerping van zowel het principale als het incidentele beroep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het principale beroep

3.1. De Gemeente heeft de in artikel 52, lid 3, Onteigeningswet bedoelde, op 6 februari 2002 afgelegde, verklaring op 20 maart 2002 aan [verweerster] doen betekenen, vergezeld van een dagvaarding houdende de gronden van cassatie tegen de zitting van de Hoge Raad van 12 april 2002. Ingevolge het bepaalde in artikel 53, lid 1, Onteigeningswet had, zoals [verweerster] terecht heeft opgemerkt, tegen de zitting van 5 april 2002 behoren te zijn gedagvaard.

3.2. Dit verzuim levert niet een gebrek in de dagvaarding op van zodanige aard dat [verweerster] daardoor in haar verdediging is geschaad. Het beroep van [verweerster] op niet-ontvankelijkheid van de Gemeente in haar cassatieberoep wordt derhalve verworpen.

4. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

4.1. Onderdeel 1 neemt terecht tot uitgangspunt dat de Rechtbank in rechtsoverweging 15, waarin zij de eerder weergegeven redeneringen van deskundigen onderschrijft, onder meer het betoog van de Gemeente heeft verworpen dat deskundigen rekening hadden moeten houden met vrijkomende arbeid van [verweerster]. Het onderdeel betoogt echter ten onrechte dat de Rechtbank aldus de verwerping van dat betoog van de Gemeente ontoereikend heeft gemotiveerd. De reactie van deskundigen op dat betoog - door de Rechtbank weergegeven in rechtsoverweging 14 - behelst een voldoende en niet onbegrijpelijke weerlegging ervan. Door zich daarmee te verenigen heeft de Rechtbank niet miskend dat de onteigeningsrechter zelfstandig onderzoek dient te doen naar de aan (de onteigende of) een derde belanghebbende toekomende schadevergoeding.

4.2. Onderdeel IIa is gericht tegen de beslissing van de Rechtbank dat [verweerster] ter vergoeding van de schade die zij gedurende de periode gelegen tussen de datum van inschrijving van het onteigeningsvonnis en de dag waarbij de schadeloosstelling is vastgesteld, lijdt wegens het gemis van het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot te boven gaat, een rente van 4,5% per jaar toekomt over het verschil. Het onderdeel faalt (vgl. HR 12 juli 2002, nr. 1345, RvdW 2002, 128). Weliswaar kan het nadeel dat een huurder ondervindt doordat de schadeloosstelling hem op de peildatum nog niet volledig in de vorm van het voorschot is uitbetaald, geheel of ten dele worden goedgemaakt door het voordeel dat hem toevalt wegens voortgezet gebruik van het onteigende, maar daarvoor was in het onderhavige geval geen plaats, nu de Rechtbank het bedoelde, door [verweerster] genoten voordeel, begroot op ƒ 7787, reeds bij de bepaling van de schadeloosstelling heeft verdisconteerd.

4.3. Nu het door onderdeel IIa aangevallen oordeel juist is, mist de Gemeente belang bij onderdeel IIb, waarin wordt betoogd dat de Rechtbank dat oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.

5. Beoordeling van het in het voorwaardelijke incidentele beroep voorgestelde middel

5.1. Nu blijkens het hiervoor in 3 overwogene de daaraan verbonden voorwaarde in vervulling is gegaan, zal de Hoge Raad het in het incidentele beroep voorgestelde middel behandelen.

5.2. Onderdeel 1 behelst een met de in onderdeel 1 van het in het principale beroep voorgestelde middel overeenkomende klacht en faalt derhalve op de gronden vermeld in 4.1.

5.3. Onderdeel 2 klaagt dat de Rechtbank bij de begroting van de schadeloosstelling van [verweerster] in het voetspoor van deskundigen is uitgegaan van liquidatie van het bedrijf. Dit oordeel van de Rechtbank is echter gelet op de door haar onderschreven argumenten van deskundigen genoegzaam gemotiveerd en niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van hetgeen [verweerster] daartegen heeft doen aanvoeren, zodat het onderdeel faalt.

5.4. Onderdeel 3 komt met een motiveringsklacht op tegen de door de Rechtbank onderschreven redenering van deskundigen dat [verweerster] bij gedwongen beëindiging van de onderneming, als gevolg van onteigening, geen schadevergoeding verschuldigd zal zijn aan haar vader, omdat het gegeven dat de onteigening een overmachtsituatie is voor de werkgever met zich brengt dat de kantonrechter geen schadeloosstelling zal toekennen, terwijl er voldoende tijd zit tussen het tijdstip van de onteigening en dat van de feitelijke beëindiging van de onderneming. De beëindiging van het dienstverband met haar vader zou dan ook volgens deskundigen geen schadepost voor [verweerster] opleveren. Deze klacht is gegrond. De door de Rechtbank onderschreven redenering, waarin niet is ingegaan op het betoog van [verweerster] dat alleszins te verwachten valt dat zij gehouden zal zijn haar vader een vergoeding te betalen in verband met de beëindiging van het dienstverband, nu die vader de vijftig is gepasseerd en onder zijn leeftijdsgroep grote werkloosheid heerst, maakt onvoldoende duidelijk of de Rechtbank van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan. Die redenering laat immers ruimte voor de veronderstelling dat die steunt op de onjuiste rechtsopvatting dat een werkgever die als gevolg van een onteigening zijn bedrijf moet sluiten, reeds wegens een "overmachtsituatie" geen vergoeding verschuldigd zal zijn aan zijn werknemer wiens dienstverband in verband met die bedrijfssluiting - met inachtneming van de geldende opzegtermijn - zal moeten worden beëindigd.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 301,33 en € 1365 voor salaris;

in het incidentele beroep:

vernietigt het vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 23 januari 2002;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 1590 voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren J.C. van Oven en C.J.J. van Maanen, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 december 2002.