Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE7369

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-11-2002
Datum publicatie
01-11-2002
Zaaknummer
C01/300HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE7369
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 585
NJ 2004, 114
JWB 2002/402
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 november 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/300HR

MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. R.M. Schutte,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de verhuurder - heeft bij exploit van 10 februari 1997 eiser tot cassatie - verder te noemen: de huurder - gedagvaard voor de Kantonrechter te Harderwijk en gevorderd bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het tijdstip waarop de huurovereenkomst tussen partijen betreffende de bedrijfsruimte, zijnde een kiosk, staande en gelegen aan de [a-straat 1] te [woonplaats], zal eindigen vast te stellen primair op 1 juni 1999, subsidiair op 31 december 2001, althans op een door de Kantonrechter in goede justitie te bepalen datum, met als nevenvordering - kort gezegd - de ontruiming van het gehuurde.

De huurder heeft de vordering gemotiveerd bestreden en primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vordering, althans tot ontzegging daarvan aan de verhuurder. Subsidiair heeft de huurder voor het geval van beëindiging van de huur, geconcludeerd tot vaststelling van een bedrag voor verhuis- en inrichtingskosten, nader op te maken bij staat, met bepaling dat de ontruiming niet eerder zal plaatsvinden dan 2 maanden nadat deze vergoeding, inclusief rente, geheel is voldaan. Voor dat geval verzocht hij de Kantonrechter tevens te bepalen dat verhuurder in verband met de beëindiging van de huurovereenkomst niet is toegestaan vanuit deze unit een onderneming te starten waaruit goederen in de toeristische sector worden verkocht op straffe van een dwangsom van ƒ 2.000.000,--, althans een door de Kantonrechter vast te stellen dwangsom, vermeerderd met een dwangsom van ƒ 5.000,-- voor iedere dag van overtreding.

Na een tussenvonnis van 13 augustus 1997 heeft de Kantonrechter bij eindvonnis van 5 november 1997 de primaire vordering toegewezen.

Tegen beide vonnissen heeft de huurder hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Zutphen. De verhuurder heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder voorwaardelijke vermeerdering van eis.

Bij tussenvonnis van 27 mei 1999 heeft de Rechtbank in het principaal en in het incidenteel beroep het eindvonnis van de Kantonrechter vernietigd en een comparitie van partijen gelast. Bij eindvonnis van 21 juni 2001 heeft de Rechtbank in het principaal en incidenteel appel het tussenvonnis van de Kantonrechter van 13 augustus 1997 vernietigd en opnieuw rechtdoende de subsidiaire vordering van de verhuurder toegewezen en de verhuurder veroordeeld om aan de huurder een tegemoetkoming in diens verhuis- en inrichtingskosten te betalen tot een bedrag van ƒ 20.000,--.

Beide vonnissen van de Rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindvonnis van de Rechtbank heeft de huurder beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De verhuurder heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1.

3.2 De verhuurder heeft gevorderd dat de rechter het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt, zal bepalen op 1 juni 1999, subsidiair op 31 december 2001 of een andere door de rechter te bepalen datum, alsmede de vaststelling van het tijdstip van ontruiming, de veroordeling van de huurder tot ontruiming en machtiging van de verhuurder tot reële executie. Aan de vordering heeft de verhuurder ten grondslag gelegd - onder meer en voorzover in cassatie nog van belang - dat hij of zijn dochter de verhuurde kiosk persoonlijk in duurzaam gebruik wil nemen als 1624-bedrijfsruimte en daartoe dringend nodig heeft.

3.3 De Kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis de genoemde reden voor opzegging ondeugdelijk geacht, omdat de verhuurder niet aannemelijk had gemaakt dat hij of zijn dochter het verhuurde zelf duurzaam als bedrijfsruimte in gebruik zou nemen. Bij eindvonnis heeft de Kantonrechter wegens wanprestatie de huurovereenkomst ontbonden met ingang van 1 juni 1999 en de huurder veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde uiterlijk op 1 juni 1999.

De Rechtbank heeft de vordering van de verhuurder alsnog toegewezen op de hiervoor in 3.2 vermelde grond. De Rechtbank oordeelde in rov. 2.4 van haar eindvonnis ten aanzien van de vraag of het door de verhuurder beoogde gebruik een toewijzingsgrond, als bedoeld in art. 7A:1631a lid 2, onder 2, BW, oplevert als volgt:

"Verhuurder heeft, gezien zijn opzeggingsbrief van 12 december 1996, van meet af aan dringend eigen gebruik aan de opzegging van de huurovereenkomst ten grondslag gelegd. In het kader daarvan heeft hij er onder andere op gewezen dat de hem thans ter beschikking staande ruimte onvoldoende is om uitbreiding van zijn vishandel annex cafetaria te verwezenlijken. Daarbij heeft verhuurder voldoende aannemelijk gemaakt dat het voor het voortbestaan van de onderhavige onderneming, zijnde een familiebedrijf, noodzakelijk is dat zijn dochter in het bedrijf kan blijven werken en daarin een toekomst als medeondernemer kan worden geboden en dat dit alleen kan als het bedrijf mogelijkheden heeft om uit te breiden."

De Rechtbank concludeerde vervolgens dat, nu uitbreiding gelet op het thans ter beschikking van het bedrijf staande binnen- én buitenoppervlak (terras) niet te realiseren is, verhuurder het verhuurde uit algemene bedrijfseconomische redenen dringend nodig had voor eigen gebruik.

3.4 Onderdeel 1 is gericht tegen het hierboven geciteerde gedeelte van rov. 2.4 van het vonnis en klaagt in de eerste plaats dat de Rechtbank het bepaalde in art. 7A:1631 lid 2, aanhef en onder b, BW (bedoeld is kennelijk: aanhef en onder a) heeft geschonden, omdat zij uitsluitend acht had mogen slaan op de redenen van opzegging die de verhuurder in de opzeggingsbrief van 12 december 1996 heeft opgegeven en wijziging of aanvulling van die gronden in de daaropvolgende procedure in beginsel niet mogelijk is.

3.5 Vooropgesteld zij dat voor de vraag, wat de opgegeven reden is voor de opzegging van de huur van een 1624-bedrijfsruimte, niet beslissend is de letterlijke tekst van de opzeggingsbrief doch de betekenis die de huurder in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de inhoud van de opzeggingsbrief mocht toekennen. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen de partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht, alsmede of, voorafgaand aan de opzeggingsbrief reeds overleg tussen huurder en verhuurder over de voorgenomen beëindiging heeft plaatsgevonden. De interpretatie van de opzeggingsbrief in het licht van dit een en ander is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.

3.6 Met haar hierboven in 3.3 aangehaalde overweging heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat naar haar oordeel de opzeggingsbrief aldus moet worden uitgelegd dat volgens deze brief de uitbreiding met de naastgelegen, verhuurde kiosk - en derhalve de beëindiging van de huur daarvan - noodzakelijk is voor het voortbestaan van de onderneming als familiebedrijf. Voorzover het onderdeel ertoe strekt die uitleg te bestrijden, faalt het, omdat die uitleg, gelet op hetgeen in 3.5 is overwogen, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk is en verder in cassatie niet kan worden getoetst. Voorzover het onderdeel klaagt dat de brief niet inhoudt dat voor het voortbestaan van de onderneming van de verhuurder noodzakelijk is dat de dochter een positie in het bedrijf inneemt, kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.7 Onderdeel 1 klaagt voorts over ontoelaatbare aanvulling van de feitelijke gronden van de vordering: de verhuurder zou niet hebben gesteld dat voor het voortbestaan van zijn onderneming noodzakelijk is dat zijn dochter in dat bedrijf kan blijven werken en dat dit alleen kan als het bedrijf mogelijkheden heeft om uit te breiden door de door de huurder gehuurde kiosk daarbij te betrekken. Het onderdeel voegt hieraan een motiveringsklacht toe.

De Rechtbank heeft de feiten en omstandigheden die in het bestreden gedeelte van rov. 2.4 worden genoemd - voor het voortbestaan van de onderneming als familiebedrijf (dat wil in dit geval zeggen: een bedrijf waarin de verhuurder met zijn hele gezin werkzaam is) is noodzakelijk dat de omzet wordt vergroot en daartoe de verkoop- en terrasruimte wordt uitgebreid door annexatie van de naastgelegen, verhuurde kiosk -, niet beschouwd als een nieuwe, niet in de opzeggingsbrief vermelde reden voor de opzegging. Deze uitleg van de opzeggingsbrief die is voorhouden aan de Rechtbank als de rechter die over de feiten oordeelt, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. De klachten falen.

3.8 De in de onderdelen 2 en 3 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de huurder, [eiser], in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de verhuurder, [verweerder], begroot op € 301,85 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.G. Pos, D.H. Beukenhorst en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 1 november 2002.