Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE7367

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-11-2002
Datum publicatie
08-11-2002
Zaaknummer
C01/084HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE7367
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 43
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 333
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 595
NJ 2003, 15
JWB 2002/405
JBPR 2003/21 met annotatie van HWW
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 november 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/084HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. K.G.W. van Oven,

t e g e n

ORIGIN TECHNOLOGY IN BUSINESS NEDERLAND B.V., gevestigd te Eindhoven,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. M.V. Polak.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 3 mei 1996 verweerster in cassatie - verder te noemen: OTIB - en BSO/ORIGIN, gevestigd te Utrecht, gedagvaard voor de Kantonrechter te Eindhoven en gevorderd OTIB en BSO/ORIGIN hoofdelijk te veroordelen tot:

(a) betaling aan [eiser] van diens loon cum annexis over de periode tot 15 mei 1993;

(b) schadevergoeding omdat gedaagden jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld door gelden, waarop ten laste van [eiser] derdenbeslag was gelegd, te laat af te dragen, door in de tweede plaats de executerende deurwaarder te hinderen zodat er vertraging is opgetreden in de betaling aan de verschillende schuldeisers van [eiser], en tenslotte door de ontbindingsvergoeding die de Kantonrechter in zijn beschikking van 20 april 1993 had bepaald pas eind augustus 1993 aan de executerende deurwaarder over te maken;

(c) nakoming van een kredietfaciliteit, die door gedaagden aan hem is toegezegd en verder, bij wege van aanvullende schadevergoeding, het inkomen dat hij heeft gederfd doordat de kredietfaciliteit, die ertoe strekte dat [eiser] een eigen onderneming zou kunnen starten, niet tijdig is geboden.

OTIB en BSO/ORIGIN hebben zich beroepen op de onbevoegdheid van de Kantonrechter en de vorderingen bestreden.

Na een tussenvonnis van 6 maart 1997 heeft de Kantonrechter bij tussenvonnis van 26 juni 1997 een deskundigenonderzoek gelast. Na deskundigenbericht heeft de Kantonrechter bij eindvonnis van 5 maart 1998 de vordering voorzover die is ingesteld tegen BSO/ORIGIN afgewezen, OTIB veroordeeld tot betaling aan [eiser] van (a) ƒ 865,59 en (b) ƒ 37.889,18, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 mei 1993, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen de drie vermelde vonnissen van de Kantonrechter heeft [eiser] in de zaak tegen OTIB hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Hertogenbosch. Bij memorie van grieven heeft [eiser] met vernietiging van voormelde vonnissen en opnieuw rechtdoende gevorderd OTIB te veroordelen tot:

A. betaling van een totaalbedrag van ƒ 1.695.484,99 dan wel een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie vermeent te moeten behoren;

B. terugkoop van eigen woonhuis met vergoeding van de geleden schade;

C. terugkoop van onroerend goed in Frankrijk met vergoeding van de geleden schade;

D. vergoeding van juridische en andere kosten met een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat Origin heeft uitgegeven in de zaak [eiser] dan wel volgens instructie van de Kantonrechter nader vast te stellen;

E. smartengeld te bepalen door de Kantonrechter;

F. excuusbrief van de President van Origin, [betrokkene 1], aan [eiser], te plaatsen op de voorpagina van het personeelsblad van Origin, alsook op de voorpagina's van de Philips Koerier, het personeelsblad van Philips en het Financieel Dagblad;

G. betaling van loonderving aan [eiser] van in totaal ƒ 550.000,-- bruto over de periode 15 mei 1993 tot 15 mei 1996 en voor iedere maand meer een bedrag van ƒ 250.000,-- : 12 = ƒ 20.333,-- per maand bruto;

H. dat alles met een betaling van een dwangsom van ƒ 25.000,-- netto per dag bij niet uitvoering vanaf de dag dat het vonnis wordt betekend.

OTIB heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij vonnis van 1 december 2000 heeft de Rechtbank in het principaal appel [eiser] niet-ontvankelijk verklaard en in het voorwaardelijk incidenteel appel verstaan dat de voorwaarde waaronder het incidenteel appel is ingesteld niet is vervuld.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

OTIB heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser], die in dienst is geweest van OTIB, heeft zich met de hiervóór in 1 vermelde vorderingen tot de Kantonrechter gewend. De Kantonrechter heeft een comparitie van partijen bevolen. De comparitie heeft plaatsgevonden op 26 september 1996. In het proces-verbaal van deze comparitie heeft de Kantonrechter het volgende vermeld:

"Partijen wenden zich in overleg tot de Kantonrechter met het verzoek het geschil in behandeling te nemen op de voet van art. 43 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Niet uitdrukkelijk hebben partijen zich de mogelijkheid van hoger beroep voorbehouden, maar uit wat overigens ter zitting naar voren is gekomen leidt de Kantonrechter af dat partijen de mogelijkheid van hoger beroep open hebben willen houden."

(ii) De gemachtigde van OTIB heeft bij brief van 10 oktober 1996 aan de Kantonrechter tegen deze passage bezwaar gemaakt en zich op het standpunt gesteld dat partijen zich geen hoger beroep hadden voorbehouden, terwijl de gemachtigde van [eiser] daarop heeft gereageerd bij brief van 16 oktober 1996 waarin wordt gemeld dat [eiser] zich het recht van hoger beroep voorbehoudt.

3.2.1 De Kantonrechter heeft bij vonnis van 6 maart 1997 in rov. 3.2 als volgt overwogen:

"Bij de comparitie van partijen is, naar aanleiding van de ontbindingsbeschikking van de Kantonrechter d.d. 20 april 1993, uitvoerig aan de orde geweest het - met name door [eiser] als zodanig aangeduide - euvel van het ontbreken van de mogelijkheid van hoger beroep tegen beschikkingen op grond van artikel 7A:1639w Burgerlijk Wetboek. Toen de zitting vervolgens werd geschorst om partijen de gelegenheid te geven te onderzoeken of een minnelijke regeling mogelijk was en na hervatting van de zitting bleek dat partijen elkaar slechts op dit punt hadden gevonden dat zij het geschil in zijn geheel op de voet van artikel 43 van de Wet R.O. aan de Kantonrechter ter beslechting voorlegden, moest tegen de achtergrond van hetgeen juist tevoren aan de orde was geweest ten aanzien van het ontbreken van de mogelijkheid van hoger beroep bij "1639w-beschikkingen", aangenomen worden dat het stilzwijgen van partijen over al dan niet hoger beroep tegen het op basis van artikel 43 van de Wet R.O. te wijzen vonnis, betekende dat zij de mogelijkheid van hoger beroep wensten open te houden. Gedaagden hebben gesteld dat zij zich destijds de keuzemogelijkheid ten aanzien van hoger beroep hebben gerealiseerd, doch niet dat zij hierover en over hun standpunt terzake met eiser hebben gesproken. Eiser mocht indertijd, gelet op wat tevoren tijdens de zitting over hoger beroep was besproken, aannemen dat gedaagden hoger beroep wilden openhouden, zoals ook gedaagden ervan uit moesten gaan dat eiser de mogelijkheid van hoger beroep zeker niet wilde uitsluiten. De slotsom is dat het geschil in volle omvang door de Kantonrechter dient te worden beslecht op de voet van artikel 43 van de Wet R.O. onder het voorbehoud van de mogelijkheid van hoger beroep."

3.2.2 Nadat de Kantonrechter nog een tussenvonnis had gewezen, heeft hij bij eindvonnis OTIB veroordeeld tot betaling van een tweetal bedragen aan [eiser]. Van al deze vonnissen is [eiser] in hoger beroep gegaan bij de Rechtbank.

3.3 De Rechtbank heeft [eiser] in zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de Rechtbank in rov. 5.3 een samenvatting gegeven van hetgeen de Kantonrechter in zijn proces-verbaal heeft vermeld, alsmede van de strekking van de brieven van partijen, een en ander als hiervóór in 3.1 weergegeven, en van hetgeen de Kantonrechter hierover heeft overwogen in zijn, hiervóór in 3.2.1 weergegeven, rov. 3.2 van het eerste tussenvonnis. Vervolgens heeft de Rechtbank in rov. 5.4 overwogen als volgt.

"Indien partijen overeenkomen op de voet van artikel 43 RO een tussen hen gerezen geschil aan de kantonrechter voor te leggen, is krachtens lid 2 van voormeld artikel de hoofdregel dat de kantonrechter 'altijd' in hoogste ressort recht spreekt. Dat is slechts anders indien partijen zich bij hun overeenkomst het hoger beroep hebben voorbehouden voor zover het zaken betreft die aan hoger beroep zijn onderworpen. Uit hetgeen hiervoor onder 5.3 is overwogen blijkt dat partijen zich dat hoger beroep niet hebben voorbehouden, terwijl eveneens blijkt dat de vorderingen (...) vatbaar waren voor hoger beroep. In het licht van de wettekst van artikel 43 RO hoefde Origin er geenszins op bedacht te zijn dat partijen het voorbehoud van hoger beroep stilzwijgend bedongen. De enkele omstandigheid dat ter comparitie bij de kantonrechter het ontbreken van hoger beroep van de in het kader van art. 7A:1639w BW (oud) eerder genomen beslissing aan de orde is geweest en het ongenoegen van [eiser] daarover doet aan het vorenstaande niet af."

3.4 Het middel klaagt dat de beide overwegingen van de Rechtbank innerlijk tegenstrijdig zijn, omdat uit hetgeen in rov. 5.3 is overwogen niet volgt wat de Rechtbank in rov. 5.4 concludeert, althans dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is, omdat "wanneer men bij het overeenkomen om een zaak op de voet van Artikel 43 RO aan de kantonrechter voor te leggen over en weer van de ander begrijpt, dat deze zich de mogelijkheid van hoger beroep voorbehoudt - en in die situatie die overeenkomst aangaat -, dan moet dat voorbehoud geacht worden van de tussen partijen bereikte overeenstemming deel uit te maken".

3.5 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat blijkens het bepaalde in het te dezen nog toepasselijke art. 43 lid 2 (oud) RO, thans art. 333 Rv., de kantonrechter in een dergelijk geval altijd beslist in het hoogste ressort, tenzij partijen die zich op de voet van dit artikel tot de kantonrechter hebben gewend, zich de mogelijkheid van hoger beroep, voor zover mogelijk, hebben voorbehouden. Hieruit volgt dat partijen, als zij zich op de voet van voormelde bepaling tot de kantonrechter wenden en zich de mogelijkheid van hoger beroep willen voorbehouden, zulks uitdrukkelijk en eensluidend moeten verklaren.

3.6 In overeenstemming met het hiervóór in 3.5 overwogene heeft de Rechtbank geoordeeld dat een dergelijk voorbehoud niet kan worden aangenomen op grond van een stilzwijgend beding. In het licht van hetgeen in het proces-verbaal van de comparitie was vermeld, kan de hiervóór in 3.2.1 weergegeven overweging van de Kantonrechter niet anders worden verstaan dan zoals de Rechtbank heeft gedaan, namelijk als de vaststelling van een stilzwijgend voorbehoud van het hoger beroep. Op grond van dit een en ander heeft de Rechtbank dus terecht geoordeeld dat uit hetgeen de Kantonrechter in rov. 5.3 heeft overwogen, niet blijkt dat partijen, wat er zij van hetgeen verder ter comparitie is besproken, in dit geval zich hoger beroep hebben voorbehouden. Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden overwegingen van de Rechtbank niet innerlijk tegenstrijdig zijn en dat het oordeel van de Rechtbank ook niet onbegrijpelijk is.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van OTIB begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 8 november 2002.