Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE6999

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-10-2002
Datum publicatie
25-10-2002
Zaaknummer
C00/282HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE6999
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de lijkbezorging 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 564
NJ 2003, 241 met annotatie van W.M. Kleijn
PW 2003, 21597
RvdW 2002, 170
Belastingblad 2003/765
JWB 2002/385
AA20030291 met annotatie van S.C.J.J. Kortmann
RV 2014/122 met annotatie van Redactie van Rechtspraak Vermogensrecht
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 oktober 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/282HR

MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

STICHTING R.K. BEGRAAFPLAATS ST. BARBARA, gevestigd te Utrecht,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.J. Schenck,

t e g e n

1. het rechtspersoonlijkheid bezittend kerkgenootschap HET AARTSBISDOM UTRECHT, zetelend te Utrecht,

2. [Verweerster 2], wonende te [woonplaats],

3. [Verweerster 3], wonende te [woonplaats],

4. [Verweerder 4], wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: St. Barbara - heeft bij exploit van 8 februari 2000 verweerders in cassatie - verder gezamenlijk te noemen: het Aartsbisdom c.s. - bij wijze van prorogatie gedagvaard voor het Gerechtshof te Amsterdam en gevorderd bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren dat het Aartsbisdom c.s. eigenaar zijn van de geplaatste gedenktekens op het graf waarvan zij rechthebbende zijn, en hun te gebieden zich ook als eigenaar van de hen betreffende gedenktekens te gedragen in de meest ruime zin des woords.

Het Aartsbisdom c.s. hebben de vordering bestreden.

Bij arrest van 4 mei 2000 heeft het Hof de vordering van St. Barbara afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft St. Barbara beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het rectificatie-exploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Tegen het Aartsbisdom c.s. is verstek verleend.

De zaak is voor St. Barbara toegelicht door haar advocaat alsmede door mr. B.J.M. van Zeeland, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak, waarin in cassatie moet worden uitgegaan van de feiten vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2, om de vraag of graftekens geplaatst op graven waarop een uitsluitend recht op een graf is gevestigd als bedoeld in art. 28 lid 1 Wet op de lijkbezorging (Wlb), welke graven hierna ook worden aangeduid als "eigen graven", in eigendom toebehoren aan de rechthebbenden op het grafrecht (het Aartsbisdom c.s.), dan wel aan de eigenaar van de grond (St. Barbara).

3.2 Het Hof heeft het standpunt van St. Barbara, te weten dat de rechthebbenden op het grafrecht eigenaar zijn van de graftekens, verworpen. Met het Aartsbisdom c.s. was het Hof van oordeel dat de onderhavige graftekens moeten worden aangemerkt als werken die duurzaam met de grond zijn verenigd in de zin van art. 5:20 BW in verbinding met art. 3:3 BW en derhalve in eigendom toebehoren aan de eigenaar van de grond.

Hetgeen het Hof daartoe heeft overwogen kan als volgt worden samengevat. De eigendom van graftekens dient, nu bijzondere wetgeving op dit stuk ontbreekt, te worden beoordeeld op grond van de in het Burgerlijk Wetboek opgenomen bepalingen inzake eigendom-(sverkrijging) (rov. 3.5). Graftekens kunnen niet worden aangemerkt als bestanddeel - in de zin van art. 3:4 BW - van de grond van de begraafplaats. Anders dan voor de vraag of iets een bestanddeel is, kunnen verkeersopvattingen niet worden gebezigd als zelfstandige maatstaf voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is. Zij zijn evenmin op zichzelf beslissend voor het antwoord op de vraag aan wie de eigendom van een bepaalde zaak toekomt (rov. 3.7 en 3.8). Ook terzake van de interpretatie van het begrip "duurzaamheid" dient het beroep van St. Barbara op de volgens haar daaromtrent te dezen heersende verkeersopvattingen te worden verworpen. Verkeersopvattingen kunnen in aanmerking worden genomen in gevallen waarin onzekerheid blijkt te bestaan of een object kan worden beschouwd als duurzaam met de grond verenigd. Buiten twijfel is echter dat de graftekens, volgens de bedoeling van het Aartsbisdom c.s. als door hen gesteld, op de graven zijn geplaatst als duurzaam herinneringsteken. Deze bedoeling en bestemming zijn op grond van de aard en de inrichting van de graftekens - te weten als gedenkteken ter plaatse waar de overledene veelal gedurende vele (tientallen) jaren begraven ligt - voor een ieder naar buiten kenbaar (rov. 3.10). De stelling van St. Barbara, dat het in art. 28 Wlb vastgelegde grafrecht naar zijn aard voor bepaalde tijd geldt en dat in dat licht bezien graftekens naar algemene verkeersopvatting niet kunnen worden aangemerkt als duurzaam met de grond verenigd, moet worden verworpen. Deze stelling is niet verenigbaar met het uitgangspunt van de Wet op de lijkbezorging dat een uitsluitend recht op een graf voor onbepaalde tijd of voor een bepaalde tijd kan worden gevestigd. Aan de duurzame bestemming van de graftekens kan niet afdoen dat de grafrechten waarover het hier gaat voor 80, 10 (ingevolge art. 28 lid 1 Wlb dient een uitsluitend recht op een graf overigens voor ten minste 20 jaren te worden verleend), 20 en 40 jaren zijn verleend, met de mogelijkheid van verlenging van telkens 10 jaren. Evenmin kan daaraan afdoen dat graftekens doorgaans gemakkelijk kunnen worden verplaatst of weggenomen (rov. 3.11 en 3.12). Onvoldoende gesteld is ten slotte dat het Aartsbisdom c.s. een opstalrecht hebben of aan enig ander rechtsfeit een recht ontlenen om in of op de grond van St. Barbara werken (als de graftekens) in eigendom te hebben (rov. 3.14).

3.3.1 De onderdelen I.1.2 en I.1.3 - I.1.1 behelst een inleiding - keren zich tegen 's Hofs oordelen dat de eigendom van graftekens op eigen graven bij gebreke van bijzondere wetgeving op dit stuk dient te worden beoordeeld op grond van hetgeen in het Burgerlijk Wetboek is bepaald inzake eigendom(sverkrijging) en dat onvoldoende gesteld is dat het Aartsbisdom c.s. aan enig ander rechtsfeit het recht ontlenen om in of op de grond van St. Barbara graftekens in eigendom te hebben. De onderdelen komen erop neer dat het Hof blijkens deze oordelen heeft miskend dat een uitsluitend recht op een graf in zin van art. 28 lid 1 Wlb een zakelijk recht is waarvan de inhoud mede wordt bepaald door hetgeen partijen terzake overeenkomen, dat die inhoud hier aldus nader is bepaald dat ingevolge het toepasselijke Reglement de eigendom van de graftekens bij het Aartsbisdom c.s. berust en dat derhalve art. 28 lid 1 Wlb zoals nader vormgegeven in het Reglement "anders bepaalt" in de zin van art. 5:20 aanhef BW, zodat natrekking van de graftekens van het Aartsbisdom c.s. reeds om deze reden niet kan plaatsvinden.

3.3.2 Het uitsluitend recht op een graf als bedoeld in art. 28 lid 1 Wlb verleent de rechthebbende het recht in het desbetreffende graf een of meer stoffelijke overschotten te begraven en begraven te houden. Zoals ook door de Minister van Justitie tot uitdrukking is gebracht bij de behandeling van het ontwerp van Wet houdende nieuwe bepalingen inzake de lijkbezorging (Handelingen I 1987/88, blz. 30-1257), verschaft dit uitsluitend recht niet de eigendom van het graf. Eigenaar van het graf blijft de eigenaar van de grond waarin of waarop het graf is geplaatst. De Wet op de lijkbezorging bepaalt niets omtrent de eigendom van op (eigen) graven geplaatste graftekens. De regel van art. 5:20 BW, dat de eigendom van de grond gebouwen en werken omvat die duurzaam met de grond zijn verenigd, geldt "voor zover de wet niet anders bepaalt". Van deze natrekkingsregel kan derhalve alleen bij wet in formele zin worden afgeweken, maar, zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, in de Wet op de lijkbezorging wordt noch ten aanzien van het eigen graf, noch ten aanzien van de daarop geplaatste graftekens van deze regel afgeweken. Dat de nadere invulling van het grafrecht is overgelaten aan de praktijk, brengt - anders dan de toelichting op de onderdelen betoogt - niet mee dat de in het Reglement opgenomen uitzondering op die regel kan gelden als een in genoemde wet zelf voorziene uitzondering. De onderdelen I.1.2 en I.1.3 falen derhalve.

3.4.1 De klachten van onderdeel II zijn gericht tegen hetgeen het Hof in zijn rov. 3.7 heeft overwogen met betrekking tot de betekenis van verkeersopvattingen voor het antwoord op zowel de vraag of een zaak roerend of onroerend is als de vraag aan wie de eigendom van een bepaalde zaak toekomt. De klachten komen erop neer dat, hoewel verkeersopvattingen niet kunnen worden gebezigd als zelfstandige maatstaf, zij onder omstandigheden wel kunnen verhinderen dat natrekking plaatsvindt via de kwalificatie van de desbetreffende zaak als onroerend, namelijk indien de verkeersopvattingen zich nadrukkelijk ertegen verzetten om een bepaalde zaak te beschouwen als bestanddeel van een andere zaak, hetgeen bij de graf-tekens ten opzichte van de grond het geval is. De klachten van onderdeel III keren zich vervolgens tegen 's Hofs oordeel dat de graftekens op de eigen graven van het Aartsbisdom c.s. moeten worden aangemerkt als werken die duurzaam met de grond zijn verenigd in de zin van art. 5:20 in verbinding met art. 3:3 BW, nu buiten twijfel is dat de graftekens volgens de naar buiten kenbare bedoeling van het Aartsbisdom c.s. op de eigen graven zijn geplaatst als duurzaam herinneringsteken.

3.4.2 Het Hof heeft de vraag of graftekens als die van het Aartsbisdom c.s. duurzaam met de grond zijn verenigd in de zin van art. 5:20 in verbinding met art. 3:3 BW, beoordeeld naar de juiste, door de Hoge Raad in zijn arrest van 31 oktober 1997, nr. 16404, NJ 1998, 97, aanvaarde maatstaven. 's Hofs oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip "duurzaam met de grond verenigd" in voormelde wetsartikelen noch omtrent het begrip "naar aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven", welk begrip een rol kan spelen - en in dit geval ook heeft gespeeld - bij de beantwoording van de vraag of een gebouw of werk duurzaam met de grond verenigd is. Voormeld oordeel is ook alleszins toereikend gemotiveerd. Met juistheid heeft het Hof overwogen dat verkeersopvattingen in dit verband niet in aanmerking kunnen worden genomen nu buiten twijfel is dat de graftekens gezien hun voor een ieder naar buiten kenbare aard en inrichting bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven. Dit ontbreken van twijfel is, anders dan met name in onderdeel III.3.4 wordt betoogd, geenszins onverenigbaar met de vaststelling van het Hof dat graftekens, waarbij het Hof kennelijk ook de onderhavige tekens op het oog heeft, gelet op de veelal beperkte fundering of zelfs het ontbreken daarvan, doorgaans gemakkelijk kunnen worden verplaatst of weggenomen. Juist is evenzeer het oordeel van het Hof dat aan de duurzaamheid van de bestemming niet kan afdoen dat de onderhavige grafrechten voor bepaalde tijd - onderscheidenlijk 80, (in strijd met het bepaalde in art. 28 lid 1 Wlb) 10, 20 en 40 jaren - zijn verleend.

Op het vorenstaande stuiten alle klachten af. Zowel die van onderdeel II, dat overigens uitgaat van de onjuiste opvatting dat de omstandigheid dat een werk naar verkeersopvattingen geen bestanddeel van de grond is in de zin van art. 3:4 BW, van betekenis is voor de beantwoording van de vraag of dat werk duurzaam met de grond is verenigd, als die van onderdeel III. Dit laatste onderdeel mist bovendien feitelijke grondslag voorzover het tot uitgangspunt neemt dat in 90% van de gevallen het uitsluitend recht op een graf na een periode van 20 jaar niet wordt verlengd.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt St. Barbara in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Aartsbisdom c.s. begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 25 oktober 2002.