Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE6377

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-08-2002
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
37150
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1340
Belastingblad 2003/161
BNB 2002/347
FED 2002/493
WFR 2002/1167, 2
V-N 2002/39.33

Uitspraak

Nr. 37.150

9 augustus 2002

WM

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 19 april 2001, nr. 97/20911, betreffende na te melden aanslag in de afvalstoffenheffing.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de afvalstoffenheffing van de gemeente Noordoostpolder opgelegd ten bedrage van ƒ 406,20, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de chef financiën c.a. van de gemeente Noordoostpolder is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. Het Hof heeft aannemelijk geoordeeld dat het afval van degenen die dit, in afwijking van het onbevoegd genomen besluit van burgemeester en wethouders tot aanwijzing van plaatsen waar het afval moet worden aangeboden, bij de grens van hun perceel hebben aangeboden, wel is meegenomen. Dit oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Voorzover de klachten dit oordeel bestrijden, kunnen zij derhalve niet tot cassatie leiden.

3.2. Uitgaande van het in 3.1 vermelde oordeel van het Hof kan in ieder geval niet worden gezegd dat de gemeente niet heeft voldaan aan haar uit artikel 10.11, lid 1, van de Wet milieubeheer (tekst 1997) voortvloeiende verplichting tot het inzamelen van afvalstoffen bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel. Zulks brengt mee dat de klacht tegen 's Hofs oordeel dat een redelijke uitleg van de wet meebrengt dat een gemeente die huishoudelijk afval op ongeveer 10 meter van de perceelsgrens ophaalt, geacht moet worden aan de wettelijke inzamelverplichting te hebben voldaan, niet tot cassatie kan leiden.

3.3. De omstandigheid dat het hiervoor in 3.1 bedoelde besluit onbevoegd is genomen, brengt, zoals het Hof heeft geoordeeld, niet mee dat de Verordening afvalstoffenheffing 1997 onverbindend is. Die omstandigheid raakt derhalve de verschuldigdheid van de belasting niet. Voorzover de klachten van een andere opvatting uitgaan, falen zij mitsdien.

3.4. De klachten kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2002.