Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE6373

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-08-2002
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
36624
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1163 met annotatie van Kastelein
Belastingblad 2002/1244
BNB 2002/329 met annotatie van W.J.N.M. Snoijink
FED 2002/487
WFR 2002/1164, 1
V-N 2002/39.32

Uitspraak

Nr. 36.624

9 augustus 2002

WV

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 15 september 2000, nr. P98/4230, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op 4 december 1997 te Zeist een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Zeist opgelegd ten bedrage van ƒ 66,50, bestaande uit ƒ 1,50 aan enkelvoudige belasting en ƒ 65 aan kosten ter zake van het opleggen van die aanslag. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd belastingen van de gemeente Zeist gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de bestreden uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van de griffier van de Hoge Raad van 21 mei 2002 zijn inlichtingen gevraagd aan de gemeentesecretaris van de gemeente Zeist betreffende het besluit van het college van burgemeester en wethouders waarbij onder meer de avond van donderdag 4 december 1997 is aangewezen als extra tijdstip waarop tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Deze inlichtingen zijn verstrekt bij brief van 14 juni 2002.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende heeft op de avond van 4 december 1997 zijn auto geparkeerd bij een parkeermeter op de a-straat te Q, zonder daarvoor parkeerbelasting te voldoen. Te dier zake is hem de onderhavige naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

Op de parkeermeter stond onder meer aangegeven dat parkeerbelasting diende te worden voldaan van maandag tot en met zaterdag van 9.00 tot 18.00 uur, alsmede op koopavonden van 18.00 tot 21.00 uur. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist (hierna: B & W) heeft, met het oog op Sinterklaas, de avond van donderdag 4 december 1997 als extra koopavond aangewezen, waarop tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd.

3.2. Het Hof heeft vastgesteld dat het besluit van B&W waarbij onder meer de avond van donderdag 4 december 1997 als extra koopavond is aangewezen, is bekendgemaakt door de publicatie daarvan op 25 november 1997 in een plaatselijk huis-aan-huisblad. Hiermede heeft het Hof, gelijk middel I terecht tot uitgangspunt neemt, tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel met die publicatie het besluit is bekendgemaakt op een wijze die voldoet aan het bepaalde in artikel 139, lid 2, van de Gemeentewet.

Nu de inhoud van het besluit volledig is opgenomen in de tekst van de publicatie in het plaatselijke huis-aan-huisblad, is dat oordeel juist. De aan middel I ten grondslag liggende opvatting dat in de publicatie ook nog had moeten worden vermeld dat en waar het besluit voor een ieder kosteloos ter inzage ligt, vindt geen steun in het recht, zodat het middel faalt.

3.3. Middel II keert zich tegen de vaststelling door het Hof dat de tarieventabel, behorende bij de Verordening parkeerbelastingen 1997, onder meer vermeldt dat het tarief voor het parkeren bij parkeerapparatuur aan de a-straat ƒ 0,25 per 8,5 minuut bedraagt. Aangezien deze vaststelling - naar volgt uit het hierna in 3.4.1 en 3.4.2 wordt overwogen - niet van betekenis is voor de juistheid van 's Hofs beslissing, kan het middel bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.

3.4.1. Het Hof heeft verworpen belanghebbendes stelling dat een besluit ontbreekt met betrekking tot de plaats waar parkeerbelasting moet worden betaald, en dat de naheffingsaanslag daarom moet worden vernietigd. Tegen dat oordeel richt zich middel III.

3.4.2. In zijn vergadering van 14 oktober 1996 heeft de raad van de gemeente Zeist zowel de Verordening Parkeerbelastingen 1997 als de daarbij behorende tarieventabel vastgesteld.

Artikel 16, lid 1, van die verordening bepaalt dat de Verordening parkeerbelastingen 1991, voor zover thans van belang, per 1 april 1997 wordt ingetrokken. Zonder nadere voorziening zou deze bepaling mede leiden tot verval van de rechtskracht van het besluit van B & W van 1 september 1991 ter uitvoering van (onder meer) artikel 10 van laatstvermelde verordening (hierna: het aanwijzingsbesluit). Het stond de gemeenteraad evenwel vrij om in de nieuwe verordening te bepalen dat het aanwijzingsbesluit voortaan geacht zou worden te berusten op de nieuwe verordening.

Daar een besluit tot vaststelling van de plaatsen waar en de tijdstippen en wijzen waarop slechts tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd een verordening inzake parkeerbelastingen completeert, en de vaststelling van een nieuwe verordening niet noodzakelijkerwijs gepaard gaat met de behoefte om wijziging te brengen in de vaststelling van zulke plaatsen, tijdstippen en wijzen, zal doorgaans gerede aanleiding bestaan om te veronderstellen dat de gemeenteraad heeft beoogd gebruik te maken van de bevoegdheid die omschreven is aan het slot van de vorige volzin.

In het onderhavige geval vindt de juistheid van zodanige veronderstelling feitelijk steun in de omstandigheid dat wat betreft de plaatsen waar geparkeerd mag worden, de vorenbedoelde tarieventabel en de bijbehorende kaart kennelijk overeenkomen met het aanwijzingsbesluit. Hetzelfde geldt voor de Verordening tot eerste wijziging van de Verordening parkeerbelastingen 1997 en de daarbij behorende kaart, welke door de gemeenteraad zijn vastgesteld bij besluit van 7 april 1997. Een en ander brengt mede dat ervan dient te worden uitgegaan dat het aanwijzingsbesluit zijn rechtskracht na 1 april 1997 heeft behouden, omdat het geacht moet worden te berusten op de Verordening parkeerbelastingen 1997, zodat, gelet op de inhoud van het aanwijzingsbesluit, de A-straat op 4 december 1997 was aangewezen als plaats waar slechts tegen betaling van belasting bij een parkeermeter mocht worden geparkeerd.

's Hofs hiervoor in 3.4.1 vermelde oordeel is mitsdien juist, wat er zij van de door het Hof gebezigde gronden. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3.5. Ook na de inwerkingtreding van de Winkeltijdenwet op 1 juni 1996 is het zo gebleven dat in de regel het merendeel van de winkels 's avonds gesloten is, doch dat daarop in sommige (delen van) gemeenten op één bepaalde avond in de week een uitzondering wordt gemaakt, welke avond dan in het spraakgebruik pleegt te worden aangeduid als 'koopavond'. Anders dan middel IV voorstaat, kan dan ook niet worden gezegd dat het begrip 'koopavond', indien gebezigd in een besluit tot aanwijzing van het tijdstip waarop tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd, sinds de inwerkingtreding van die wet onvoldoende onderscheidend is. Het middel faalt derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en P. J. van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2002.