Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE6324

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-08-2002
Datum publicatie
09-08-2002
Zaaknummer
R01/126HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE6324
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt 22, geldigheid: 2002-08-09
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 191, geldigheid: 2002-08-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 426
NJ 2004, 47 met annotatie van H.J. Snijders
PW 2004, 21709
RvdW 2002, 129
JWB 2002/290

Uitspraak

9 augustus 2002

Eerste Kamer

Rek.nr. R01/126HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. DE COÖPERATIEVE VERENIGING TOT EXPLOITATIE VAN EEN PARKEERGARAGE "HERENGRACHT 179-197", gevestigd te Amsterdam,

2. [Eiser sub 2], wonende te [woonplaats],

3. [Eiser sub 3], wonende te [woonplaats],

4. [Eiser sub 4], wonende te [woonplaats],

5. [Eiser sub 5], wonende te [woonplaats],

6. [Eiser sub 6], wonende te [woonplaats],

7. [Eiser sub 7], wonende te [woonplaats],

8. [Eiser sub 8], wonende te [woonplaats],

9. BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ BOUWKUNST B.V., gevestigd te Amsterdam,

10. [Eiser sub 10], wonende te [woonplaats],

11. [Eiser sub 11], wonende te [woonplaats],

12. [Eiser sub 12], wonende te [woonplaats],

13. [Eiser sub 13], wonende te [woonplaats],

14. [Eiser sub 14], wonende te [woonplaats],

15. [Eiser sub 15], wonende te [woonplaats],

16. [Eiserer sub 16], wonende te [woonplaats],

17. [Eiser sub 17], wonende te [woonplaats],

18. [Eiser sub 18], wonende te [woonplaats],

19. [Eiser sub 19], wonende te [woonplaats],

20. [Eiser sub 20], wonende te [woonplaats],

21. [Eiser sub 21], wonende te [woonplaats],

22. [Eiser sub 22], wonende te [woonplaats],

23. [Eiser sub 23], wonende te [woonplaats],

24. [Eiser sub 24], wonende te [woonplaats],

25. [Eiser sub 25], wonende te [woonplaats],

26. [Eiser sub 26], wonende te [woonplaats],

27. [Eiser sub 27], wonende te [woonplaats],

28. [Eiser sub 28], wonende te [woonplaats],

29. [Eiser sub 29], wonende te [woonplaats],

VERZOEKERS tot cassatie, incidenteel verweerders in cassatie,

advocaat: mr. H.D.O. Blauw,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, incidenteel eiser tot cassatie,

advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 10 augustus 1999 ter griffie van de Rechtbank te Amsterdam ingediend verzoekschrift hebben verzoekers tot cassatie - verder te noemen: de Coöperatieve Vereniging respectievelijk de Herengrachtparkeerders - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht voorlopig getuigenverhoren te houden met het oog op hun voornemen eventueel een rechtsvordering aanhangig te maken tegen onder anderen [verweerder] - en [betrokkene 1].

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - en de overige in het inleidende verzoekschrift genoemde (rechts)personen hebben het verzoek bestreden.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 23 november 1999 het voorlopig getuigenverhoor bevolen en daartoe een rechter-commissaris benoemd.

Op 23 oktober 2000 is [verweerder] in het voorlopig getuigenverhoor gehoord. Hierbij heeft hij zich ten aanzien van de meeste gestelde vragen op zijn verschoningsrecht beroepen.

Bij beschikking van 28 november 2000 heeft de rechter-commissaris [verweerder] toegestaan zich te beroepen op zijn verschoningsrecht zoals in de rov. 4.8-4.25 van die beschikking aangegeven, bepaald dat hem voor het overige geen beroep op het verschoningsrecht toekomt en bepaald dat een nader verhoor van [verweerder] dient plaats te vinden op een nader te bepalen tijdstip.

Tegen deze beschikking heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. [Verweerder] heeft verzocht de beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij beschikking het door hem gedane beroep op verschoningsrecht onverkort te sanctioneren en mitsdien hem te ontslaan van het afleggen van getuigenis over de aan hem gestelde vragen in het voorlopig getuigenverhoor ter zake waarvan hij zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen.

Bij beschikking van 30 augustus 2001 heeft het Hof de bestreden beschikking vernietigd en, opnieuw rechtdoende, bepaald dat [verweerder] geen verschoningsrecht toekomt ten aanzien van de vragen 5, 13 en 18 van de advocaat van de Herengrachtparkeerders. Het Hof heeft voorts bepaald dat het beroep van [verweerder] op zijn verschoningsrecht ten aanzien van de andere in (bijlage 1 bij) de bestreden beschikking opgenomen vragen gegrond is.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof hebben de Coöperatieve Vereniging en de Herengrachtparkeerders beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft een verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep ingediend. Voorts heeft ook [betrokkene 1] - zowel in eerste instantie als in hoger beroep verschenen - incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en de verweerschriften tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De Herengrachtparkeerders hebben het incidenteel cassatieberoep van [verweerder] bestreden.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het principaal en het incidenteel cassatieberoep.

De advocaat van de Herengrachtparkeerders heeft bij brief van 10 mei 2002 op die conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In verband met de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1 tot en met 1.10 beschreven gang van zaken rond - kort gezegd - de bouw en verkoop van (parkeerplaatsen in) een parkeergarage onder het appartementencomplex Herengracht 179-197 te Amsterdam - een garage bestemd deels voor de Herengrachtparkeerders 2-29 en deels voor de bewoners van het complex Singel 194-198 (hierna: de Singelparkeerders) - hebben de Herengrachtparkeerders zich met het hiervoor onder 1 vermelde verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor tot de Rechtbank gewend.

In dat verzoekschrift zetten de Herengracht-parkeerders uiteen dat zij, nu uitvoering van de door de gemeente Amsterdam op 24 oktober 1996 gedane bestuursdwangaanzegging ertoe zal leiden dat zestien parkeerplaatsen van de Herengrachtparkeerders 2-29 komen te vervallen, voornemens zijn een vordering tot schadevergoeding in te stellen tegen onder anderen [verweerder] en [betrokkene 1], onderscheidenlijk als notaris en architect betrokken bij het project, alsmede tegen de Singelparkeerders. Tot degenen die de Herengrachtparkeerders als getuige wilden doen horen, behoorde [verweerder]. "[Verweerder] heeft de akten gepasseerd terzake van de parkeerplaatsen bij Den Grooten Heer. Tevens heeft [verweerder] de akten van de Singelparkeerplaatsen, althans een aanmerkelijk deel daarvan, gepasseerd. De getuigenis van [verweerder] wordt verlangd ter zake van de totstandkoming en de uitleg van de transactie van de Singelparkeer-plaatsen tussen F&F Vastgoed en de Singelbewoners. [Verweerder] dient aan te geven waar de parkeerplaatsen met vergunning, zijns inziens, thans in het complex zijn gelegen. Ten aanzien van de parkeerplaatsen aan de zijde van de Singel werd door [verweerder] het genoemde voorbehoud opgenomen. Niet duidelijk is in hoeverre hierbij informatie werd verstrekt ten aanzien van de achtergrond van het voorbehoud. Voorts kan [verweerder] wellicht informatie verstrekken over de mate waarin de kopers al op de hoogte waren van de problemen die speelden. Tevens is van belang in hoeverre door [verweerder] terzake de noodzakelijke zorgvuldigheid is betracht. Het is onduidelijk in hoeverre [verweerder] zich heeft gerealiseerd dat de locatie van 16 parkeerplaatsen op de tekeningen van bouwvergunning II was gewijzigd.", aldus de Herengrachtparkeerders in hun verzoekschrift. Met "het genoemde voorbehoud" doelen de Herengrachtparkeerders op de bepaling in de transportakten inhoudende dat het de Singelparkeerders bekend is dat het gebruik en de inrichting van de parkeerplaatsen geheel voor eigen rekening en risico is en dat de Gemeente hiervoor geen vergunning heeft gegeven.

Nadat de Rechtbank het verzoek had toegewezen, heeft [verweerder] zich bij het op 23 oktober 2000 gehouden voorlopig getuigenverhoor ten aanzien van de meeste hem gestelde vragen op zijn verschoningsrecht als notaris beroepen.

3.2 De rechter-commissaris heeft, na onder meer te hebben overwogen dat [verweerder] als partijgetuige werd gehoord, geoordeeld dat een notaris in beginsel zelf bepaalt welke informatie vertrouwelijk is en onder het verschoningsrecht valt, maar dat [verweerder] in het licht van de bijzondere positie die hij in deze zaak als mogelijk (mede-)aansprakelijke persoon inneemt, niet het recht toekomt zelf te bepalen hoe ver zijn verschoningsrecht strekt. Voorkomen moet worden dat [verweerder] met een onterecht beroep op het verschoningsrecht het zicht ontneemt op eigen mogelijk onrechtmatig handelen, aldus de rechter-commissaris, die vervolgens per vraag heeft beslist of [verweerder] zich al dan niet op zijn verschoningsrecht kon beroepen.

3.3 In hoger beroep heeft het Hof, dat - evenals de rechter-commissaris had gedaan - [verweerder] aanmerkte als partijgetuige, bij zijn beoordeling van de grieven vooropgesteld (rov. 4.5):

- dat het verschoningsrecht van de notaris zich alleen uitstrekt tot datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig, dat wil zeggen, als notaris is toevertrouwd;

- dat alles waarvan de wetenschap hem als zodanig is meegedeeld, ook heeft te gelden als hem toevertrouwd, waarbij geen plaats is voor een onderscheid tussen vertrouwelijke en minder vertrouwelijke gegevens;

- dat het oordeel daaromtrent in beginsel aan de notaris moet worden overgelaten;

- dat het beroep van de notaris op diens verschoningsrecht door de rechter derhalve moet worden aanvaard zolang deze aan redelijke twijfel onderhevig acht of verstrekking van de gevraagde gegevens zou kunnen geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven.

Vervolgens heeft het Hof - na onder meer te hebben overwogen

a) dat in de onderhavige zaak sprake is van een geschil tussen de Herengrachtparkeerders enerzijds en [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 1], [verweerder] en de Singelparkeerders anderzijds, dat is terug te voeren tot transacties die gesloten zijn tussen F&F Vastgoed en de Singelparkeerders en dat het derhalve niet gaat om een geschil tussen partijen bij een transactie, maar om een geschil waarbij de Herengrachtparkeerders moeten worden aangemerkt als derden ten opzichte van de transacties tussen F&F Vastgoed en de Singelparkeerders (de eerste rov. 4.6) en

b) dat ook voorzover het gaat om vragen betreffende de transacties tussen F&F Vastgoed en de Coöperatieve Vereniging (Herengrachtparkeerder 1) geldt dat het verhoor van [verweerder] plaats heeft niet in het kader van een geschil tussen partijen maar tussen de Herengrachtparkeerders en derden (rov. 4.13) - beslist dat [verweerder] geen verschoningsrecht toekomt ten aanzien van een drietal in 's Hofs beschikking nader aangeduide vragen en dat het beroep van [verweerder] op zijn verschoningsrecht ten aanzien van de andere in (bijlage 1 bij) de beschikking van de rechter-commissaris opgenomen vragen gegrond is.

4. Beoordeling van het principaal beroep

4.1.1 Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het Hof had moeten beslissen dat [verweerder] als partijgetuige in het geheel geen beroep toekomt op het in art. 191 lid 2, aanhef en onder b, (oud) Rv. in verbinding met art. 22 Wet op het notarisambt voorziene verschoningsrecht van de notaris, en voorts het door [verweerder] gedane beroep op dit verschoningsrecht geheel had moeten afwijzen, althans de beschikking van de rechter-commissaris had moeten bekrachtigen.

4.1.2 Het onderdeel, dat feitelijke grondslag mist voorzover het tot uitgangspunt neemt dat het Hof niet heeft onderzocht en beslist of [verweerder] als partijgetuige een beroep op het door hem ingeroepen verschoningsrecht toekomt, faalt.

4.1.3 Zoals het Hof terecht, en in cassatie overigens onbestreden, heeft overwogen, moet de grondslag van het aan een beperkte groep van vertrouwenspersonen, onder wie notarissen, toekomende verschoningsrecht worden gezocht in een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij zodanige vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden (zie HR 1 maart 1985, nr. 6667, NJ 1986, 173 en HR 25 september 1992, nr. 14652, NJ 1993, 467).

De parlementaire geschiedenis van de Wet van 3 december 1987, houdende nieuwe regeling van het bewijsrecht in burgerlijke zaken (Stb. 1987, 590) bevat geen aanknopingspunt voor de opvatting dat de wetgever bedoeld heeft dit rechtsbeginsel terzijde te stellen of van minder gewicht te achten in het door die wet met ingang van 1 april 1988 mogelijk gemaakte geval dat een hiervoor bedoelde vertrouwenspersoon als partijgetuige wordt gehoord.

De nadere memorie van antwoord (Kamerstukken II, 1984/85,10377, nr. 13, blz. 12 e.v.) bevat beschouwingen met betrekking tot de vraag of, zoals door sommigen bepleit, aan de partijgetuige een (achtereenvolgens als "volledig", "specifiek, volledig", "bijzonder" en "apart" aangeduid) verschoningsrecht zou moeten worden toegekend. De minister heeft die vraag, in overeenstemming met het advies van de Subcommissie Burgerlijke Rechtsvordering van de Staatscommissie voor de Nederlandse Burgerlijke Wetgeving, ontkennend beantwoord. In dat verband heeft hij zich, ter weerlegging van het door voorstanders van bedoeld verschoningsrecht aangevoerde argument dat een partijgetuige zonder dit recht in gewetensnood zou kunnen geraken, op het standpunt gesteld, dat het hier niet gaat om een gewetensconflict tussen de plicht om de waarheid te spreken en de kans dat men daardoor zichzelf of nauwe familierelaties kan schaden in een buiten het geding gelegen belang, maar om een conflict tussen de plicht de waarheid te spreken en het directe eigen belang dat de partijgetuige heeft bij het winnen van de procedure, en dat dit directe belang geen relevant beletsel vermag op te leveren bij het streven in het burgerlijk geding de rechtsbedeling zoveel mogelijk op basis van de werkelijkheid te doen plaatsvinden.

Dit standpunt van de minister, dat mede ten grondslag ligt aan het oordeel van de Hoge Raad dat aan een partijgetuige niet het verschoningsrecht van art. 191 lid 2, aanhef en onder a, (oud) Rv. toekomt (HR 19 februari 1993, nr. 8126, NJ 1994, 344), is voor de beantwoording van de hier aan de orde zijnde vraag inzake de omvang van het verschoningsrecht van vertrouwenspersonen, welk recht zijn grond niet daarin vindt dat men hun een gewetensconflict als zo-even bedoeld wil besparen maar in het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden, zonder betekenis. Weliswaar heeft de minister in de nota naar aanleiding van het eindverslag (Kamerstukken II, 1985/86, 10377, nr. 17, blz. 1) in reactie op een opmerking van een der fracties nog opgemerkt dat "het systeem van het (nader) gewijzigd ontwerp zo is dat, afgezien van het geval dat zij zelf aanbiedt als getuige een verklaring af te leggen, een partij slechts wanneer zij als getuige wordt opgeroepen verplicht is te verschijnen en alsdan, in beginsel, behoudens inroeping van het in het vierde lid van artikel 188 [art. 191 lid 4 (oud) Rv.] opgenomen verschoningsrecht, verplicht is als getuige een verklaring af te leggen", maar ook hier heeft hij, blijkens de context, uitsluitend op het oog het geval waarin tussen de partijgetuige en een of meer van de (toekomstige) andere partijen een relatie als bedoeld in art. 191 lid 2, aanhef en onder a, (oud) Rv. bestaat of heeft bestaan.

4.1.4 Voor aanvaarding van de in het onderdeel verdedigde opvatting, een beslissing die zou leiden tot onzekerheid en - naar te verwachten valt - procesrechtelijke verwikkelingen op een terrein waar juist zekerheid en duidelijkheid geboden is, bestaat ook overigens geen grond: aan het hiervoor in de laatste alinea van 4.1.3 genoemde maatschappelijk belang komt niet een geringere betekenis toe in het geval dat een vertrouwenspersoon als partijgetuige wordt gehoord. Het onderdeel voert nog wel aan dat dit leidt tot een uitkomst die vanuit een oogpunt van de gelijkwaardigheid van procespartijen onaanvaardbaar is, maar dit betoog ziet eraan voorbij dat de notaris zich als partijgetuige nu eenmaal in die zin van een "gewone" partijgetuige onderscheidt dat zijn vrijheid om te getuigen wordt begrensd door bedoeld maatschappelijk belang, een begrenzing die voor een notaris als procespartij zowel positieve als negatieve gevolgen kan hebben. Het Hof heeft derhalve met juistheid geoordeeld dat een notaris ook indien hij als partijgetuige wordt gehoord zich kan beroepen op het verschoningsrecht van art. 191 lid 2, aanhef en onder b, (oud) Rv.

4.2.1 Onderdeel 2, dat evenals de onderdelen 3 en 4 tot uitgangspunt neemt dat de als partijgetuige opgeroepen notaris wél een beroep op het verschoningsrecht van art. 191 lid 2, aanhef en onder b, (oud) Rv. toekomt, komt primair erop neer dat het Hof heeft miskend dat, als aan de notaris vragen worden gesteld over transacties waarbij hij in die hoedanigheid betrokken was, dit verschoningsrecht in die zin beperkt is dat:

a. het in beginsel niet aan de notaris is om te bepalen hoe ver het strekt;

b. de notaris niet de bevoegdheid heeft om vragen die erop gericht zijn te kunnen beoordelen of hij heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend notaris verwacht mocht worden, niet te beantwoorden;

c. daarop geen beroep kan worden gedaan voorzover andere getuigen reeds over het onderwerp waarop de te stellen vraag betrekking heeft, hebben verklaard.

4.2.2 Zoals het Hof in zijn rov. 4.5 heeft vooropgesteld, heeft alles waarvan de wetenschap aan een notaris als zodanig is meegedeeld te gelden als aan hem toevertrouwd, waarbij het in beginsel aan de notaris zelf moet worden overgelaten om te beoordelen of hetgeen aan hem is meegedeeld heeft te gelden als aan hem toevertrouwd. Anders dan het onderdeel, wederom met een beroep op de gelijkwaardigheid van procespartijen, ingang wil doen vinden, kan de omstandigheid dat de notaris als partijgetuige wordt gehoord niet rechtvaardigen dat in afwijking van deze regel in beginsel niet de notaris zelf maar de rechter zou beoordelen of iets heeft te gelden als aan de notaris toevertrouwd. Die omstandigheid vermindert niet het gewicht van het door die regel beschermde belang , te weten dat niet wordt geopenbaard datgene waarvan men mocht vertrouwen dat het verborgen zou blijven, en kan derhalve geen grond vormen voor het in het leven roepen van een situatie waarin, zoals inherent is aan de door het onderdeel voorgestane beoordeling door de rechter, de kans ontstaat dat geopenbaard wordt wat verborgen zou moeten blijven. De door het onderdeel verdedigde stelling dat beoordeling door de notaris een met de gelijkwaardigheid van procespartijen strijdige situatie schept, in die zin dat de notaris het in tegenstelling tot zijn wederpartij geheel in eigen hand zou hebben of hij als getuige al dan niet een verklaring zou afleggen, miskent niet alleen dat een notaris zich uitsluitend omtrent hetgeen hem in die hoedanigheid is toevertrouwd kan verschonen van de verplichting om een getuigenis af te leggen en dat hij hem gestelde vragen dient te beantwoorden zodra de rechter niet aan redelijke twijfel onderhevig acht of die beantwoording kan geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven, maar tevens dat de wetgever het hiervoor onder 4.1.4 aangeduide onderscheid tussen een notaris en een "gewone" partijgetuige als noodzakelijk heeft aanvaard.

Voor de beide andere door het onderdeel bepleite beperkingen van het verschoningsrecht geldt dat deze niet kunnen worden aanvaard nu noch de hiervoor in 4.2.1 onder b vermelde strekking van de vragen, noch het feit dat reeds een of meer getuigen over het aan de orde gestelde onderwerp hebben verklaard, wegneemt dat de beantwoording aan het licht kan brengen hetgeen als aan de notaris toevertrouwd verborgen diende te blijven.

Een en ander geldt, anders dan het onderdeel subsidiair betoogt, evenzeer indien aan de notaris vragen worden gesteld met betrekking tot een reeks samenhangende transacties, waarbij hij als zodanig betrokken is geweest. Zowel de primaire als de subsidiaire klacht van onderdeel 2 faalt derhalve.

4.3.1 Onderdeel 3 heeft betrekking op 's Hofs rov. 4.13. Daarin is aan de orde of [verweerder] verschoningsrecht toekomt voorzover het gaat om een aantal vragen van de advocaat van de Herengrachtparkeerders die de transacties tussen de projectontwikkelaar F&F Vastgoed en de Coöperatieve Vereniging (Herengrachtparkeerder 1) betreffen. Met het oog daarop diende het Hof, gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn beschikking van 11 maart 1994, nr. 8355, NJ 1995, 3 heeft geoordeeld met betrekking tot het geval dat de getuigenis van een notaris omtrent een bepaalde transactie wordt verlangd in een geschil waarbij ook anderen dan partijen bij die transactie - derden - zijn betrokken, te onderzoeken of het verhoor van [verweerder] plaats heeft in het kader van een geschil tussen partijen dan wel in het kader van een geschil tussen (een aantal van) hen en een of meer derden als bedoeld in voormelde beschikking. Het Hof heeft geoordeeld dat het verhoor van [verweerder] plaats heeft in het kader van een geschil niet tussen partijen bij die transacties, maar tussen de Herengrachtparkeerders en derden, en heeft vervolgens mede op grond daarvan het beroep van [verweerder] op zijn verschoningsrecht gehonoreerd voorzover het om het merendeel der hiervoor bedoelde vragen gaat.

4.3.2 Voorzover het onderdeel tot uitgangspunt neemt dat het Hof heeft geoordeeld dat de Herengrachtparkeerders, en derhalve ook de Coöperatieve Vereniging, ten opzichte van de transacties tussen F&F Vastgoed en de Coöperatieve Vereniging derden zijn als bedoeld in de hiervoor in 4.3.1 genoemde beschikking, berust het op een onjuiste lezing van de aangevallen beschikking. Het Hof heeft, blijkens rov. 4.13 gelezen in samenhang met zijn hiervoor onder 3.3 vermelde rov. 4.6, [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 1], [verweerder] en de Singelparkeerders aangemerkt als derden in voormelde zin ten opzichte van die transacties en behoefde zich bij die stand van zaken niet meer uit te laten over de positie van de Herengrachtparkeerders, hetgeen het dan ook niet heeft gedaan. Het onderdeel kan derhalve in zoverre wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

4.3.3 Voorzover het onderdeel uitgaat van de opvatting dat, wanneer één van de partijen bij een transactie niet meer bestaat, zoals in dit geval F&F Vastgoed, de notaris bij een geschil over de totstandkoming en uitleg van die transactie geen beroep op zijn verschoningsrecht toekomt, ongeacht of het daarbij gaat om een geschil tussen de (overblijvende) partij(en) bij die transactie of om een geschil tussen deze(n) en een derde, faalt het omdat die opvatting geen steun vindt in het recht.

4.4.1Onderdeel 4 keert zich in de eerste plaats tegen 's Hofs oordeel in de tweede rov. 4.6, dat voor terzijdestelling van het verschoningsrecht in een geval als dit ten minste vereist is dat de aard van de van de notaris verlangde gegevens meebrengt dat de derde erover moet beschikken om te kunnen beoordelen of de transactie tegenover hem kan worden ingeroepen, of hoe zij moet worden uitgelegd, evenwel tevergeefs omdat 's Hofs oordeel juist is (HR 11 maart 1994, nr. 8355, NJ 1995, 3).

4.4.2 Voorzover het onderdeel tot uitgangspunt neemt dat het Hof blijkens zijn rov. 4.7 van de Herengrachtparkeerders heeft verlangd dat zij "gedetailleerd aangeven in welk opzicht zij de van [verweerder] verlangde gegevens nodig hebben om te kunnen beoordelen of de Singelparkeerders c.s., inclusief [verweerder], schadeplichtig zijn", berust het op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. Het Hof heeft immers, na - in cassatie onbestreden - te hebben vastgesteld dat niet ter discussie staat dat de desbetreffende transacties tussen F&F Vastgoed en de Singelparkeerders tot stand zijn gekomen en dat deze (ook) tegen de Herengrachtparkeerders kunnen worden ingeroepen, geoordeeld dat de Herengrachtparkeerders niet voldoende duidelijk hebben gemaakt dat zij van [verweerder] gegevens verlangen om te kunnen achterhalen welke uitleg aan die transacties toekomt. Dit oordeel geeft, anders dan het onderdeel voorts nog betoogt, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting ter zake van de hier op de Herengrachtparkeerders rustende stelplicht met betrekking tot de vraag of [verweerder] zich kon beroepen op zijn verschoningsrecht als notaris. Het onderdeel voert ten slotte nog aan dat het Hof het antwoord op de vraag of [verweerder] een beroep op dit verschoningsrecht toekomt, (mede) heeft laten afhangen van de uitleg die het Hof heeft gegeven van een bepaalde contractuele clausule voorkomende in de (notariële) akte tussen F&F Vastgoed en de Singelparkeerders, maar ook dit verwijt berust op een onjuiste lezing van de beschikking van het Hof. Het Hof heeft niet onderzocht hoe de door het onderdeel bedoelde bepaling, volgens welke het gebruik en de inrichting van de in tweede instantie gerealiseerde parkeerplaatsen voor eigen rekening en risico van de Singelparkeerders zijn, moet worden uitgelegd, maar uitsluitend of - en zo ja, welke - door de Herengrachtparkeerders met het oog op hun belangen een bepaalde uitleg wordt voorgestaan, zulks teneinde vast te stellen of met het oog hierop door hen vragen aan de notaris worden gesteld. Ook in zoverre kan het onderdeel derhalve wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

5. Beoordeling van het incidenteel beroep van [verweerder]

5.1 Onderdeel A klaagt dat het Hof door in zijn beschikking zonder voorbehoud en/of beperking vast te stellen dat [verweerder] als partijgetuige is gehoord, heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat die vaststelling onbegrijpelijk is.

Deze klacht faalt. De rechter-commissaris heeft in zijn beschikking geoordeeld dat, zoals ook vermeld in het proces-verbaal van 23 oktober 2000, [verweerder] als partijgetuige is gehoord. Tegen dit oordeel heeft [verweerder] geen grief gericht, zodat het het Hof niet vrijstond tot een ander oordeel te komen.

5.2 Onderdeel B behoeft, nu de onderdelen 1 en 2 van het principale middel falen, geen behandeling.

6. Beoordeling van het incidenteel beroep van [betrokkene 1]

Uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de onderdelen 1 en 2 van het principale middel volgt dat de door het middel voorgestane opvatting dat een notaris geen verschoningsrecht toekomt met betrekking tot vragen in verband met mogelijk door hem als notaris gepleegde onrechtmatige handelingen niet als juist kan worden aanvaard. Het middel faalt derhalve.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt de beroepen;

in het principaal beroep:

veroordeelt de Herengrachtparkeerders in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 253,21 aan verschotten en € 1.135,-- voor salaris;

in het incidenteel beroep van [verweerder]:

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Herengrachtparkeerders begroot op € 22,69 aan verschotten en € 1.135,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 9 augustus 2002.