Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE6118

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-09-2002
Datum publicatie
17-09-2002
Zaaknummer
02308/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE6118
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 466
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 september 2002

Strafkamer

nr. 02308/01

AG/AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 februari 2001, nummer 20/001243-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1964, ten tijde van de bestreden uitspraak verblijvende in de penitentiaire inrichting "De Oosterhoek" te Grave.

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 31 mei 2000 - de verdachte ter zake van 1A "medeplegen van poging tot moord", 2A "medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd", 3. "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie", en 4. "medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" en "medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie" tot een gevangenisstraf van negen jaren. Tevens heeft het Hof beslist omtrent vorderingen van benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen als in het arrest vermeld.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, deze zal verminderen en het beroep voor het overige zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel betreft het onder 2A bewezenverklaarde feit. Het keert zich tegen de motivering van de bewezenverklaring ten aanzien van het opzet van de verdachte. Daarbij neemt het middel tot uitgangspunt dat de verdachte "in de visie van het Hof, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat diens zoon bewust de aanmerkelijke kans zou hebben aanvaard dat deze ook andere personen dan [slachtoffer 1] dodelijk zou raken met het vuurwapen hetwelk door laatstgenoemde is gebruikt in de school."

Volgens het middel getuigt die redenering van een onjuiste rechtsopvatting. Subsidiair wordt betoogd dat het desbetreffende oordeel van het Hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

3.2. De in het middel aangevallen overwegingen van het Hof luiden als volgt:

"Naar het oordeel van het hof heeft de zoon van verdachte, door als ongeoefend schutter vele kogels af te vuren in de richting van [slachtoffer 1] in op dat moment drukbezochte ruimtes van de school en daarbij ook te schieten toen de kans om [slachtoffer 1] te raken minder groot was geworden als gevolg van de toenemende afstand tussen de zoon van verdachte en [slachtoffer 1] en/of van de snelheid van bewegen van de zoon van verdachte en [slachtoffer 1], bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij anderen zou raken en dat hij hen, gelet op het feit dat hij een vuurwapen gebruikte, dodelijk zou treffen.

Aldus is het opzet van de zoon van verdachte (mede) gericht geweest op de dood van andere getroffen personen dan [slachtoffer 1]. Dit opzet is ook aanwezig bij de verdachte. Immers verdachte heeft zijn zoon naar school gebracht en heeft hem met een pistool de school laten binnengaan om daar [slachtoffer 1] neer te schieten, terwijl hij wist dat zich op dat tijdstip vele personen in de school bevonden en dat zijn zoon een ongeoefend schutter was.

Daarmee heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn zoon ook anderen dan [slachtoffer 1] dodelijk zou treffen en kan het bij zijn zoon aanwezige opzet ook verdachte worden aangerekend. Naar het oordeel van het hof geldt een en ander zowel voor de slachtoffers [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] als ook voor het slachtoffer [slachtoffer 5]. Hieraan doet niet af de mogelijkheid dat de zoon van verdachte, anders dan bij [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], gericht heeft geschoten op [slachtoffer 5]. Het slachtoffer [slachtoffer 5] bevond zich nabij [slachtoffer 1] toen er werd geschoten op [slachtoffer 1] zowel in de hal als in het computerlokaal van de school en liep reeds vanwege deze omstandigheid het risico te worden neergeschoten, net als de andere toevallige slachtoffers die zich in het computerlokaal bevonden. Ook wanneer het verdachte niet ging om [slachtoffer 5] maar uitsluitend om [slachtoffer 1], heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat iemand die zich in de buurt van [slachtoffer 1] bevond, zoals [slachtoffer 5], zou worden getroffen. Derhalve was het vorenomschreven (voorwaardelijk) opzet van verdachte (mede) gericht op de dood van [slachtoffer 5]. Dit verandert niet als ervan wordt uitgegaan dat de zoon van verdachte bewust gericht op [slachtoffer 5] heeft geschoten, terwijl dat gericht schieten niet verdachtes bedoeling was. Bij beide daders is sprake van opzet, ook al verschilt mogelijk de gradatie van het opzet."

3.3. Hetgeen het Hof heeft overwogen omtrent de mogelijkheid dat de zoon van de verdachte (bewust) gericht op [slachtoffer 5] heeft geschoten, behelst gelet op de kennelijke strekking van 's Hof overwegingen klaarblijkelijk een overweging ten overvloede, nu zij ziet op een situatie die zich naar het oordeel van het Hof niet heeft voorgedaan. Zijn overwegingen moeten mede tegen de achtergrond van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in de navolgende zin worden verstaan.

Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte zijn zoon naar school heeft gebracht, hem een geladen pistool heeft verschaft en hem met dat pistool de school heeft laten binnengaan om daar [slachtoffer 1] neer te schieten, terwijl hij (verdachte) wist dat zich op dat tijdstip vele personen in de school bevonden en dat zijn zoon een ongeoefend schutter was. Op grond daarvan heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn zoon - wiens tot het bewijs gebezigde verklaringen er op neer komen dat hij het louter op [slachtoffer 1] had gemunt - ook andere personen die zich in de buurt van [slachtoffer 1] zouden bevinden, dodelijk zou treffen. Volgens het Hof is daarom bij de verdachte sprake geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van de in de bewezenverklaring onder 2A genoemde personen.

3.4. Naar uit het vorenstaande volgt berust het middel op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak, zodat het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte niet gemotiveerd heeft beslist op het in hoger beroep met betrekking tot de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten gevoerde verweer dat de verklaringen van de zoon van de verdachte onbetrouwbaar zijn te achten.

4.2.1. Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat de verklaringen van verdachtes zoon [...], voorzover deze de verdachte belasten, niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, omdat niet is komen vast te staan dat er sprake is geweest van eerwraak. De ter terechtzitting besproken rapporten van deskundigen waarin een dergelijk motief voor het handelen van de verdachte werd verklaard, zouden onbetrouwbaar zijn.

4.2.2. Het Hof heeft in het verkorte arrest als nadere overweging omtrent het bewijs opgenomen:

"Het Hof acht de verklaringen van verdachtes zoon, zoals hiervoor weergegeven, bezien in het reeds vermelde verband en de genoemde samenhang betrouwbaar. De onder andere door de verdachte en diens mededader afgelegde verklaringen ertoe strekkende dat het feit een uitsluitend individuele actie is geweest van verdachtes zoon, worden door het hof mitsdien als ongeloofwaardig afgewezen."

4.3. Vooropgesteld dient te worden dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Een dergelijk bijzonder geval doet zich hier niet voor.

Voorzover het middel zich richt tegen hetgeen het Hof heeft overwogen zoals hiervoor onder 4.2.2 weergegeven, kan het niet tot cassatie leiden omdat niet valt in te zien dat hetgeen de raadsman heeft aangevoerd omtrent het ontbreken van een "eerwraakmotief" op zichzelf afdoet aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof omtrent de betrouwbaarheid van de desbetreffende verklaringen van [de zoon] met betrekking tot de gang van zaken en de rol van zijn vader, de verdachte, daarbij.

4.4. Het middel faalt.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft op 7 maart 2001 beroep in cassatie ingesteld. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 4 juni 2002 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

Dit moet leiden tot strafvermindering.

6. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

Vermindert deze in die zin dat deze acht jaar en zes maanden beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 september 2002.