Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE5660

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-11-2002
Datum publicatie
08-04-2019
Zaaknummer
02299/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE5660
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2001:AB1344, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 november 2002

Strafkamer

nr. 02299/01

HJH/KD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 april 2001, nummer 23/000219-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, wonende te [woonplaats] .

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 18 oktober 2000, voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 3 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen" veroordeeld tot een geldboete van ƒ 15.000,-- subsidiair 110 dagen hechtenis.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.A. de Roos, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Hof opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Aan de middelen voorafgaande beschouwing

Het gaat in deze zaak om het volgende. In het kader van de privatisering van de [A] heeft de Staat der Nederlanden in 1994 en 1995 een groot deel van haar (gewone) aandelen in het voormalig staatsbedrijf van de hand gedaan. De herplaatsing van die aandelen vond plaats via een (emissie)syndicaat van commissionairs, waaronder de [B] (hierna [B] ).

[B] schakelde op haar beurt voor de herplaatsing effectenhuizen in, waaronder [C] (hierna: [C] ).

Het commercieel effectenbedrijf van [B] was belast met de uitvoering van de herplaatsing. De desbetreffende afdeling viel onder de verantwoordelijkheid van de verdachte, lid van de hoofddirectie van [B] en directeur "Treasury en Effecten".

Het met het oog op de herplaatsing vervaardigde prospectus behelsde een bepaling omtrent een toe te kennen verkoopprovisie voor de bedrijfsleden van de Vereniging voor de effectenhandel die deel uitmaakten van de verkoopgroep. Die verkoopprovisie mocht, aldus die bepaling, niet worden doorgegeven.

In strijd daarmee werden door [B] met [C] afspraken gemaakt over een doorvergoeding aan [C] van de provisie die [B] per herplaatst aandeel zou krijgen, en wel in ruil voor de bereidheid voor de herplaatsing met [B] zaken te doen. Die wederdienst van [B] aan [C] wordt in de stukken ook als "reciprociteit" aangeduid. De desbetreffende doorbetaling van de vergoeding werd in de boeken van [B] verhuld door registratie van fictieve handel in obligaties tussen [B] en [C] . Daarmee werd de schijn gewekt dat [B] obligaties aan [C] verkocht en vervolgens terugkocht aan [C] . Door het verschil in koerswaarde van die obligaties ten tijde van die aankoop en verkoop, zou [C] winst hebben geboekt, die evenwel in feite de doorvergoede provisie betrof.

De verdachte is - voorzover hier van belang - vervolgd en veroordeeld wegens het met anderen feitelijke leiding geven aan het valselijk opmaken van geschriften door [B] waarop effectentransacties waren vermeld die in werkelijkheid betrekking hadden op niet toegestane provisiebetalingen aan [C] .

4. De bewezenverklaring

Bij het bestreden arrest is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

" [B] in 1994 en in 1995 te 's-Hertogenbosch meermalen telkens schriftelijke bescheiden te weten

1. een document waarop onder meer vermeld staat: settelment 06-07-1994 betreffende financieele afwikkeling Cedel ACC. NBR.53783 en

2. een Cedel General Report (night-time processing) 06/0/94-14443-(GR) en

3. een MIDAS invoerdocument, batch 053, invoerdatum 070794 en

4. een grootboekkaart gedateerd 13.04.95, 17.02, met onder meer als opschrift: Koersverschillen Handelsportefeuille, maand 12-94, periode = 1.101.94-31.12.94,

7. een grootboekkaart, gedateerd 24.06.96, 14.50, met onder meer als opschrift: Koersverschillen Handelsportefeuille, jaar 95 blz 5, periode = 1.01.95-31.12.95, telkens behorende tot de administratie van [B] , zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft [B] telkens in strijd met de waarheid onder meer op die schriftelijke bescheiden van die administratie resultaten van effectentransacties vermeld en één of meer bedragen vermeld, volgende uit reguliere effectentransacties, terwijl in werkelijkheid die resultaten en bedragen geen betrekking hadden op deze effectentransacties, maar in werkelijkheid betrekking hadden op niet toegestane provisiebetalingen in het kader van de aandelenherplaatsing van [A] N.V., door in strijd met de waarheid onder meer te doen vermelden in de bescheiden als hiervoor genoemd:

ad 1dat op 28/6/94 een bedrag van hfl 32.893.437,50 (incl. rente) is berekend voor de aankoop door [C]

van staatobligaties 5,75% Nederland 1994 per 15-01-2004 en dat op 29/6/94 hetzelfde aantal staatsobligaties is verkocht door [C] voor hfl 33.001.937,50 (incl. rente) en dat op 28/6/94 een bedrag van hfl. 53.885.572,13 (incl. rente) is

berekend voor de aankoop door [C] van staatobligties 7,50% Nederland per 1993 per 15-01-2023 en dat

op 29/6/94 hetzelfde aantal staatobligaties is verkocht door [C] voor hfl 54.032.395,73 (incl. rente) en

ad 2 dat een zgn booktransfer heeft plaatsgevonden rond de effectentransactie ten aanzien van 5,75% NED

15-01-04/7,5% NED 15-01-23, met als negatied resultaat NLG 255.323,60 en

ad 3 dat de bedragen, groot NLG 255.323,60 D(ebet) en C(redit) betrokken zijn op een effectentransactie ten aanzien van staatsobligaties betreffende 5,75% NED 94/04 en 7,5% NED 93/23 en

ad 4 dat het uit onder meer NLG 255.323,60 samengestelde bedrag van 602.728,92 betrekking heeft op

"verlies handelsport juli 94" en

ad 7 dat het onder Credit vermelde bedrag van 99.121,79 betrekking heeft op DA 169 ISB Nov. 95 N. [C] zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, aan welke voormelde gedragingen hij, verdachte, toen en daar tezamen en in vereniging met een ander telkens feitelijk leiding heeft gegeven."

5. Beoordeling van het eerste middel

5.1. Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet naar behoren met redenen is omkleed op de grond dat het Hof bij de bewijsvoering een door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring heeft gedenatureerd.

5.2. Het middel doelt op bewijsmiddel 6 (de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van

6 april 2001), meer in het bijzonder op de navolgende passage:

"Ik heb [betrokkene 1] voor het verlenen van reciprociteit toestemming gegeven. [betrokkene 1] had een hoge functie bij [B] met veel beleidsvrijheid. Het verlenen van reciprociteit, waarbij vooraf op de cent wordt afgesproken tot welk bedrag, is in deze zaak volgens mij voor het eerst gebeurd."

5.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 april 2001 houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, als aldaar afgelegde verklaring van de verdachte het volgende in:

"Reciprociteit is een attitude, waarvan de waarde in geld pas achteraf precies is vast te stellen.

Ik heb [betrokkene 1] slechts voor het verlenen van reciprociteit toestemming gegeven en echt niet voor meer. [betrokkene 1] had een hoge functie bij [B] met veel beleidsvrijheid. Ik heb hem echter niet gezegd dat hij het bedrag van de reciprociteit vooraf mocht afspreken. Het verlenen van reciprociteit, waarbij vooraf op de cent wordt afgesproken tot welk bedrag, is in deze zaak volgens mij voor het eerst gebeurd."

5.4. Het Hof heeft dit onderdeel van de verklaring van de verdachte kennelijk redengevend geacht voorzover daarin tot uitdrukking komt dat de verdachte aan [betrokkene 1] voor "reciprociteit" in algemene zin ten aanzien van [C] toestemming had gegeven en dat de desbetreffende tegenprestatie door [B] op een bepaald bedrag is vastgesteld.

5.5. In aanmerking genomen dat uit de overige bewijsmiddelen, in het bijzonder uit de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] kan worden afgeleid dat de verdachte ervan op de hoogte was dat en tot welke bedragen aan [C] provisie werd doorvergoed, heeft het Hof kennelijk geen geloof gehecht aan hetgeen de verdachte in de vierde volzin van de hiervoor onder 5.3 weergegeven passage heeft verklaard. Die volzin kon het Hof daarom bij de bewijsvoering terzijde stellen. Daarmee is de betekenis van de door de verdachte afgelegde verklaring, op gevat in de hiervoor onder 5.4 vermelde zin, niet veranderd.

5.6. Het middel faalt dus.

6. Beoordeling van de bestreden uitspraak naar aanleiding van het tweede middel en ambtshalve

6.1. Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde, voorzover inhoudende dat de verdachte ook in 1995 feitelijke leiding heeft gegeven aan de door [B] begane feiten, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Blijkens de daarop gegeven toelichting spitst het middel zich toe op het in de bewezenverklaring onder 7 genoemde bescheid. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou volgens de steller van het middel voorts niet blijken dat dit document vals zou zijn en dat de verdachte van die valsheid wetenschap heeft gehad.

6.2. Dat, zoals is bewezenverklaard, de gepleegde valsheid ook in 1995 is begaan kan uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen, meer in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat het in de bewezenverklaring onder 4 genoemde - en in de bewijsvoering betrokken - bescheid is gedateerd 13.04.95, uit welke datering het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft afgeleid dat dat stuk op die datum, dus in 1995 is opgemaakt.

6.3. De gebezigde bewijsmiddelen houden evenwel niets in waaruit kan volgen dat, zoals is bewezenverklaard, [B] op de in de bewezenverklaring onder 7 genoemde grootboekkaart "in strijd met de waarheid" heeft doen vermelden dat het onder Credit vermelde bedrag van 99.121,79 betrekking heeft op DA 169 ISB Nov.95 N. [C] . Voorts kan uit die bewijsmiddelen niet volgen dat dat stuk in 1994 of 1995 is opgemaakt. De datering van dat stuk (24.06.96) wijst er veeleer op dat het stuk in 1996 is vervaardigd.

In zoverre is de bewezenverklaring dus ontoereikend gemotiveerd.

7. Slotsom

Hetgeen hiervoor onder 6.3 is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak, voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, niet in stand kan blijven en dat als volgt moet worden beslist.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 5 november 2002.