Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE5578

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
30-07-2002
Zaaknummer
1342
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE5578
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 285 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
RvdW 2002, 127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 1342

12 juli 2002

AB

in de zaak van

[eiseres tot cassatie],

wonende te [woonplaats],

eiseres tot cassatie,

incidenteel verweerster,

advocaat: mr. P.S. Kamminga,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

N.S. RAILINFRABEHEER B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in cassatie,

incidenteel eiseres,

advocaat: mr. J.G. de Vries Robbé.

1. Geding in feitelijke instantie

1.1. NS Railinfrabeheer B.V., hierna: Railinfrabeheer, heeft bij exploit van 22 september 1999 eiseres tot cassatie, hierna: [eiseres tot cassatie], doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht en ten behoeve van de aanleg van een in de dagvaarding nader omschreven gedeelte van de Betuweroute, met bijkomende werken, gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten name van Railinfrabeheer en ten algemenen nutte van een drietal in de dagvaarding nader omschreven gedeelten van de onroerende zaak met de kadastrale aanduiding Gemeente Giessenburg, [...], en de onroerende zaak met de kadastrale aanduiding Gemeente Giessenburg, [...], waarvan [eiseres tot cassatie] bij Koninklijk Besluit van 13 januari 1998, nr. 98.000093 (Stcrt. 28), als eigenaar is aangewezen, en van een drietal in de dagvaarding nader omschreven gedeelten van de onroerende zaak met de kadastrale aanduiding Gemeente Giessenburg, [...], waarvan [eiseres tot cassatie] bij Koninklijk Besluit van 3 juni 1999, nr. 99.002483 (Stcrt. 116), als eigenaar is aangewezen, alsmede de bepaling van het bedrag van de schadeloosstelling.

1.2. Bij vonnis van 26 januari 2000 en rectificatievonnis van 17 februari 2000, ingeschreven in de openbare registers op 13 juni 2000, heeft de Rechtbank de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken en bepaald dat Railinfrabeheer aan [eiseres tot cassatie] een voorschot zal uitkeren van f 203.291,10, dat Railinfrabeheer ten behoeve van [eiseres tot cassatie] zekerheid dient te stellen voor f 22.587,90 en dat Railinfrabeheer (desverlangd) het bij dagvaarding gedane bijkomende aanbod ten behoeve van [eiseres tot cassatie] gestand zal doen. Tevens heeft de Rechtbank een onderzoek bevolen ter begroting van de schade welke het gevolg zal zijn van de onteigening voor [eiseres tot cassatie] en heeft zij drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.

1.3. Bij het thans bestreden vonnis van 20 juni 2001 heeft de Rechtbank, voorzover in cassatie van belang, de schadeloosstelling voor [eiseres tot cassatie] bepaald op f 288.589 (€ 130.955,98), welk bedrag verrekend dient te worden met het reeds betaalde voorschot van f 203.291,10 (€ 92.249,48), Railinfrabeheer veroordeeld om aan [eiseres tot cassatie] te betalen f 85.297,90 (€ 38.706,50) en bepaald dat Railinfrabeheer haar bijkomende aanbod tot levering van compensatiegronden tegen de door de Rechtbank vastgestelde waarde gestand zal doen. Dit vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

2.1. [eiseres tot cassatie] heeft tegen het vonnis van 20 juni 2001beroep in cassatie ingesteld en twee middelen van cassatie voorgesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. Railinfrabeheer heeft geconcludeerd tot referte ten aanzien van het eerste middel en tot verwerping van het beroep ten aanzien van het tweede middel en daarbij harerzijds het vonnis in voorwaardelijk incidenteel beroep bestreden met een middel van cassatie. De conclusie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie, is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.3. Nadat [eiseres tot cassatie] in het voorwaardelijk incidenteel beroep geconcludeerd had tot verwerping, hebben partijen hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. De advocaat van [eiseres tot cassatie] heeft gerepliceerd.

2.4. De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 5 april 2002 geconcludeerd tot verwerping van het principale beroep.

3. Beoordeling van de middelen in het principale beroep

3.1. De Rechtbank heeft in rechtsoverweging 17 van haar vonnis geoordeeld dat, gelet op de niet weersproken stelling van Railinfrabeheer dat rekening moet worden gehouden met het voordeel dat [eiseres tot cassatie] heeft genoten doordat zij reeds gedurende langere tijd om niet over de reeds ingebrachte, nog te leveren compensatiegronden beschikt, het door [eiseres tot cassatie] genoten voordeel vanwege dit gebruik de rente compenseert die Railinfrabeheer overeenkomstig artikel 55, derde lid, Onteigeningswet verschuldigd is over het bedrag van de schadeloosstelling - verminderd met het reeds betaalde voorschot - zodat toekenning van bedoelde rentevergoeding achterwege dient te blijven. Terecht voert middel 1 van het principale beroep hiertegen aan dat dit oordeel onjuist, althans ondeugdelijk met redenen omkleed is.

Naar de letter genomen houdt voormeld oordeel in dat de Rechtbank de [eiseres tot cassatie] toekomende in artikel 55, derde lid, Onteigeningswet bedoelde wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag van het vonnis van de Rechtbank, compenseert met het door [eiseres tot cassatie] genoten voordeel dat zij reeds langere tijd om niet beschikt over de nog aan haar te leveren compensatiegronden. Aldus opgevat geeft het oordeel van de Rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu op de in artikel 55, derde lid, bedoelde aan de onteigende toekomende wettelijke rente geen door de onteigende genoten voordelen, van welke aard ook, in mindering mogen worden gebracht.

Indien de Rechtbank wèl de in artikel 55, derde lid, bedoelde wettelijke rente heeft willen toekennen (uit het dictum van het vonnis valt dat niet duidelijk af te leiden) en slechts heeft bedoeld dat de aan [eiseres tot cassatie] toekomende vergoeding voor het nadeel dat zij tussen de inschrijving van het vonnis van vervroegde onteigening en de dag van het vonnis waarbij de schadeloosstelling is vastgesteld, heeft ondervonden door het gemis van het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot te boven gaat (welke vergoeding de Rechtbank dan onjuist als de rente die Railinfrabeheer "overeenkomstig artikel 55, lid 3 van de Ow verschuldigd is" heeft aangeduid), wordt gecompenseerd met het door [eiseres tot cassatie] genoten voordeel van het genot om niet van de vorenbedoelde gronden, is het vonnis ongenoegzaam gemotiveerd. De Rechtbank heeft immers geen inzicht gegeven in de redenering die haar geleid heeft tot de conclusie dat het bedoelde door [eiseres tot cassatie] genoten voordeel opweegt tegen het nadeel dat zij heeft ondervonden door het gemis van het bedrag waarmee de schadeloosstelling het voorschot te boven gaat. Ook heeft de Rechtbank geen blijk gegeven te hebben onderzocht in hoeverre bedoeld gebruik om niet van de compensatiegronden door Railinfrabeheer reeds was toegezegd op de dag van de inschrijving van het vonnis van vervroegde onteigening.

Het middel, dat voor het overige geen bespreking behoeft, slaagt derhalve.

3.2. Middel 2 keert zich tegen rechtsoverweging 16 van het vonnis, die betrekking heeft op gronden waarvan Railinfrabeheer bij dagvaarding heeft aangeboden als bijkomend aanbod de eigendom te leveren tegen een prijs welke neerkwam op f 5,50 per m2. De Rechtbank heeft in haar vonnis van 26 januari 2000, waarbij de vervroegde onteigening is uitgesproken en waarbij het voorschot is vastgesteld op f 203.291,10, tevens bepaald dat Railinfrabeheer (desverlangd) het bij dagvaarding gedane bijkomende aanbod ten behoeve van [eiseres tot cassatie] gestand zal doen. In rechtsoverweging 16 van het bestreden vonnis heeft de Rechtbank overwogen dat partijen haar hebben verzocht zich uit te laten over de waarde van de door Railinfrabeheer ingebrachte compensatiegronden, dat [eiseres tot cassatie] als bezwaar tegen de door de deskundigen geadviseerde prijs van f 8,50 per m2 heeft aangevoerd dat de deskundigen bij de prijsbepaling van de compensatiegronden ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de mindere kwaliteit vanwege de lagere ligging en de samenstelling van die gronden, alsmede dat dit bezwaar moet worden verworpen, omdat de Rechtbank van oordeel is dat de deskundigen op goede gronden tot de door hen geadviseerde prijs zijn gekomen, en deze waardering, evenals de gronden waarop deze berust, tot de hare maakt.

3.3. Het middel betoogt dat de Rechtbank, aldus oordelend, heeft miskend dat zowel Railinfrabeheer als de Rechtbank zelf gebonden was aan de beslissing in het vonnis van 26 januari 2000 dat Railinfrabeheer haar bijkomende aanbod om de compensatiegronden tegen een op f 5,50 per m2 neerkomende prijs over te dragen, gestand diende te doen.

Dit betoog faalt. De in het dictum van het vonnis van 26 januari 2000 neergelegde bepaling dat Railinfrabeheer (desverlangd) het bij dagvaarding gedane aanbod ten behoeve van [eiseres tot cassatie] gestand zal doen, levert geen beslissing op waaraan de Rechtbank in haar vonnis op de voet van artikel 54t, tweede lid, Onteigeningswet bij de vaststelling van de schadeloosstelling gebonden was. De Rechtbank heeft derhalve bij haar onderzoek ter bepaling van de aan [eiseres tot cassatie] toe te kennen schadeloosstelling terecht acht geslagen op de door Railinfrabeheer bij gelegenheid van de plaatsopneming op 13 april 2000, dus vóór de inschrijving van het vonnis van vervroegde onteigening, kenbaar gemaakte intrekking van haar bij dagvaarding gedane bijkomende aanbod en is terecht uitgegaan van de - bij die gelegenheid uitgesproken en nadien gehandhaafde - bereidheid van Railinfrabeheer om de compensatiegronden nog slechts te leveren voor een prijs per m2 die gelijk is aan de prijs per m2 die voor het te onteigenen zal worden vastgesteld. Dit middel dient derhalve te worden verworpen.

3.4. Nu middel 1 gegrond is kan het bestreden vonnis niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Ten aanzien van het voorwaardelijk incidentele beroep

Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat de Hoge Raad het tweede middel van het principale beroep gegrond zou bevinden, behoeft gezien het hiervoor overwogene geen behandeling.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 20 juni 2001, verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, en veroordeelt Railinfrabeheer in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres tot cassatie] begroot op € 375,88 aan verschotten en € 1590 voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge, J.C. van Oven en A.R. Leemreis, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 juli 2002.