Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE5229

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
12-07-2002
Zaaknummer
37426
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1059
BNB 2002/327
BNB 2002/326
FED 2002/450
FED 2002/452
WFR 2002/1071
WFR 2002/1071, 2
V-N 2002/36.25
V-N 2002/35.8

Uitspraak

Nr. 37.426

12 juli 2002

TVW

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 mei 2001, nr. P00/02272, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is ter zake van een intracommunautaire verwerving een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 130.176,39, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende heeft op 26 februari 1998 met B B.V. te W een koopovereenkomst gesloten waarbij B B.V. zich verplichtte tot levering van een nieuw, tot die datum niet gebruikt motorjacht (hierna ook: het motorjacht) met onder meer de voorwaarden dat B B.V. het één jaar als demonstratieschip mocht gebruiken en dat de levering na een tevredenstellende proefvaart voor of op 28 maart 1998 zou plaatsvinden. De koopsom bedroeg f 793.000 inclusief 17,5% omzetbelasting.

3.1.2. In een door belanghebbende met N B.V. te T (België) vóór 1 mei 1998 gesloten huurkoopovereenkomst, waarvan de schriftelijke weergave is gedagtekend 4 juni 1998, is onder meer bepaald dat belanghebbende het motorjacht van N B.V. huurt voor een periode van 24 maanden ingaande op de datum van aflevering, dat, mits belanghebbende gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst aan al zijn verplichtingen heeft voldaan, de betaling van de laatste huurtermijn van rechtswege de overdracht van de juridische eigendom tot gevolg heeft, en dat de huurprijs bestaat uit de eenmalige som van f 41.264,87 alsmede een bedrag van f 175.650,17 per semester, in totaal - afgerond - f 743.865.

3.1.3. Op 27 februari 1998 heeft B B.V. aan N B.V. een bedrag van f 674.893,61 exclusief omzetbelasting in rekening gebracht. Op de factuur is onder meer vermeld: "Wij berekenen u ten behoeve van uw cliënt X" en "BTW 0-tarief."

Op 4 maart 1998 heeft belanghebbende een bedrag van f 722.145 laten overboeken naar een bankrekening bij een in Luxemburg gevestigde bankinstelling. Vanaf deze bankrekening zijn de termijnbetalingen verricht in het kader van de hiervóór vermelde huurkoopovereenkomst, voor het eerst op 9 maart 1998.

3.1.4. Op of omstreeks 28 april 1998 is het motorjacht vanuit W naar Antwerpen in België gevaren en vervolgens heeft B B.V. het jacht aan N B.V. geleverd. Eveneens op 28 april 1998 vond de teboekstelling plaats in België ten name van N B.V. Het overbrengen van het jacht hield tevens een proefvaart in. Op of omstreeks 1 mei 1998 is het schip weer naar Nederland gevaren.

3.1.5. N B.V., B B.V. en belanghebbende hebben voorts een 'koopovereenkomst' ondertekend, gedagtekend 1 mei 1998, waarin onder verwijzing naar de tussen N B.V. en belanghebbende gesloten huurkoopovereenkomst onder meer is bepaald dat B B.V. het motorjacht aan N B.V. verkoopt en dat belanghebbende namens N B.V. verklaart het vaartuig per laatstvermelde datum in goede staat te hebben ontvangen. Tevens is in deze overeenkomst bepaald dat de verhuurder (N B.V.) in voorkomend geval, indien de huurder (belanghebbende) aantoont dat het gekochte vaartuig gebreken en/of tekortkomingen vertoont, aan de huurder, in uitvoering van artikel 3 van de tussen hen gesloten huurkoopovereenkomst, de toelating geeft om in naam van de verhuurder alle vorderingen in te stellen tegen de verkoper teneinde herstel van de geleden schade te bekomen.

3.1.6. Op 6 mei 1998 heeft belanghebbende op eigen naam een aanvraag registratie snelle motorboot bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer ingediend. Op het vragenformulier is door belanghebbende vermeld dat hij het jacht van B B.V. had gekocht. Als ligplaats heeft hij W vermeld. Met het jacht is ten minste tot 4 juni 1998 in Nederland gevaren. Op 19 en 22 mei 1998 heeft B B.V. foto's laten nemen van het jacht.

3.1.7. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende als eigenaar over het jacht kon beschikken toen het motorjacht naar Nederland werd overgebracht, en dat hij dientengevolge een intracommunautaire verwerving in de zin van artikel 17a van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) heeft verricht. Ter zake daarvan heeft hij de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van 17,5% van de totale huurkoopsom van f 743.865.

3.2. Het Hof heeft, gelet op de inhoud van de onderscheiden overeenkomsten en op de omstandigheid dat met het jacht van 1 mei 1998 tot 4 juni 1998 in Nederland is gevaren, aannemelijk geacht dat het jacht op 1 mei 1998 aan belanghebbende ter beschikking is gesteld als ware hij eigenaar daarvan en op grond daarvan geoordeeld dat belanghebbende het motorjacht op 1 mei 1998 heeft verworven in de zin van artikel 17a van de Wet. Bij zijn oordeel heeft het Hof van belang geacht dat in de overeenkomst van 1 mei 1998 noch in de huurkoopovereenkomst aan belanghebbende beperkingen zijn opgelegd met betrekking tot het gebruik van het jacht. De stelling van belanghebbende dat het jacht op of omstreeks 4 juni 1998 in Helgoland is geweest doet naar 's Hofs oordeel niet eraan af dat hij reeds eerder als eigenaar over het vaartuig kon beschikken. Ook het gebruik van het motorjacht door B B.V. (kennelijk in de periode mei tot begin juni 1998) doet naar het oordeel van het Hof niet af aan de beschikkingsvrijheid van belanghebbende.

3.3. In de beide onderdelen van het primaire middel wordt betoogd dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende het motorjacht in mei 1998 heeft verworven in de zin van artikel 17a van de Wet, aangezien uit de tussen belanghebbende en B B.V. in februari 1998 gesloten koopovereenkomst volgt dat belanghebbende pas na een jaar over het jacht kon beschikken en dat B B.V. het gedurende dat jaar voor demonstratiedoeleinden zou gebruiken. Dat in artikel 1 van de hiervóór in 3.1.5 vermelde driepartijenovereenkomst van 1 mei 1998 is verklaard dat belanghebbende het vaartuig in goede staat in ontvangst heeft genomen doet daaraan, aldus het middel, niet af, aangezien dit slechts op de rechtsbetrekking tussen B B.V. en N B.V. als verkoper en koper zag. Voorts is het, aldus het middel, feitelijk zo dat N B.V. het jacht op 4 juni 1998 ten gebruike heeft gegeven aan belanghebbende, op welke datum het jacht zich bevond in Helgoland, daarbij kennelijk doelend op het niet tot het grondgebied van een lidstaat in de zin van artikel 3 van de Zesde richtlijn behorende Duitse eiland Helgoland. Belanghebbende zou het vaartuig vervolgens weer ter beschikking hebben gesteld van B B.V. die het daarna weer heeft doen overbrengen naar Nederland.

3.4.1. Krachtens artikel 1, aanhef en letter c, van de Wet wordt omzetbelasting geheven ter zake van intracommunautaire verwervingen, anders dan in de zin van letter b van dat artikel, van nieuwe vervoermiddelen in Nederland. De belasting wordt, op grond van artikel 17f van de Wet, geheven van degene die de intracommunautaire verwerving verricht. Intracommunautaire verwerving van goederen is de verwerving van goederen ingevolge een levering van deze goederen door een ondernemer in het kader van zijn onderneming, welke goederen worden verzonden of vervoerd van een lidstaat naar een andere lidstaat (artikel 17a, lid 1, van de Wet). De laatstvermelde bepaling is, gelet op het bepaalde in artikel 28bis, leden 3 en 7, van de Zesde richtlijn, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, in overeenstemming met die richtlijn. Vaststaat dat het motorjacht in mei 1998, toen het vanuit België naar Nederland werd overgebracht, een nieuw vervoermiddel was in de hiervóór genoemde zin.

3.4.2. Krachtens artikel 3, lid 1, letter b, van de Wet, welke bepaling in zoverre in overeenstemming is met artikel 5, lid 4, letter b, van de Zesde richtlijn, wordt als levering mede aangemerkt de afgifte van goederen ingevolge een overeenkomst van huurkoop. 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende met betrekking tot het jacht een overeenkomst van huurkoop in de vorenvermelde zin heeft gesloten met N B.V., en dat het vaartuig, nadat deze overeenkomst was aangegaan, in het kader van die overeenkomst vanuit België is overgebracht naar Nederland.

3.4.3. In 's Hofs hiervóór in 3.2 vermelde oordelen liggen besloten de oordelen dat N B.V., ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet, het motorjacht krachtens de hiervóór in 3.1.2 vermelde huurkoopovereenkomst op of omstreeks 1 mei 1998 aan belanghebbende heeft afgegeven en dat het jacht in dat kader op of omstreeks diezelfde datum vanuit België is verzonden of vervoerd naar Nederland. Belanghebbende bestrijdt dat het vaartuig op of omstreeks die datum aan hem is afgegeven. Het zou door N B.V. krachtens de tussen de drie partijen gemaakte afspraken aan B B.V. ter beschikking zijn gesteld om pas na verloop van tijd aan belanghebbende te worden afgegeven. Het Hof baseert zijn oordelen echter op de aan het Hof voorbehouden uitlegging van de door de partijen gemaakte afspraken en in het bijzonder op de omstandigheid dat noch in de driepartijenovereenkomst van 1 mei 1998 noch in de huurkoopovereenkomst aan belanghebbende beperkingen zijn opgelegd met betrekking tot het gebruik van het motorjacht, alsmede de omstandigheid dat het jacht in de periode mei 1998 tot begin juni 1998 in Nederland heeft gevaren. In dit licht bezien zijn 's Hofs oordelen niet onbegrijpelijk, ook niet het oordeel dat de stelling van belanghebbende dat het jacht op 4 juni 1998 het eiland Helgoland heeft aangedaan aan zijn oordelen niet afdoet, nu het vaartuig naar 's Hofs oordeel reeds vóór die datum door N B.V. aan belanghebbende was afgegeven en in dat kader vanuit België naar Nederland was overgebracht. Aangezien 's Hofs oordelen, zoals hiervóór weergegeven, ook niet uitgaan van een onjuiste rechtsopvatting, falen de beide onderdelen van het primaire middel.

3.5. Het subsidiaire middel klaagt erover dat het Hof ten onrechte is voorbijgegaan aan belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel. Dit middel faalt eveneens, nu belanghebbende, naar het Hof in cassatie onbestreden heeft vastgesteld, ter zitting van het Hof heeft laten weten dat het geschil kon worden beperkt tot de vraag of belanghebbende al dan niet op 1 mei 1998 de macht heeft verkregen om als eigenaar over het jacht te beschikken en aldus een intracommunautaire levering heeft verricht in de zin van artikel 17a van de Wet.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2002.