Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE5202

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-08-2002
Datum publicatie
27-08-2002
Zaaknummer
00821/02 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE5202
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Grondwet 93
Grondwet 95
Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen 16
Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen 17
Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2002, 206
NBSTRAF 2002/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 augustus 2002

Strafkamer

nr. 00821/02 U

IV/AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 22 februari 2002, nummer RK 02/12, op een verzoek van het Koninkrijk België tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Penitentiair Complex Scheveningen.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de vaststelling van de dubbele strafbaarheid en de vermelding van de toepasselijke artikelen, dat de Hoge Raad zal bepalen dat de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht naar Nederlands recht zijn aan te merken als - naast het door de Rechtbank omschreven misdrijf - "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", dat de Hoge Raad zal bepalen dat de uitspraak berust op - naast de door de Rechtbank genoemde bepalingen uit het Beneluxverdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken, de Schengen uitvoeringsovereenkomst, de Uitleveringswet en het Wetboek van Strafrecht - het tussen België en Nederland toepasselijke art. 7 van het Verdrag van de Europese Unie betreffende de uitlevering tussen de lid-staten van de Europese Unie en op de art. 47 en 140 Sr, en dat het beroep voor het overige zal worden verworpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel komt op tegen het oordeel van de Rechtbank dat in de verhouding van Nederland tot België de Overeenkomst opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie betreffende uitlevering tussen de Lid-staten van de Europese Unie, gesloten te Dublin op 27 september 1996, Trb. 1996, 304, (hierna: de EU-uitleveringsovereenkomst) reeds gold. Daartoe wordt aangevoerd dat onvoldoende is bekend gemaakt dat Nederland en België verklaringen als bedoeld in art. 18, vierde lid, EU-uitleveringsovereenkomst hebben afgelegd.

3.2. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende verdrags- en wetsbepalingen van belang:

Art. 93 GW:

"Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt."

Art. 95 GW:

"De wet geeft regels omtrent de bekendmaking van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties."

Art. 16, eerste lid, Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen:

"De bekendmaking van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties geschiedt in het Tractatenblad van het Koninkrijk der Nederlanden."

Art. 17, eerste lid, Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen:

"In het Tractatenblad worden geplaatst:

a. de tekst van het verdrag of het besluit in één of meer talen;

b. de vermelding van het tijdstip van inwerkingtreding, hetzij voor het Koninkrijk in zijn geheel, hetzij voor een of meer der landen van het Koninkrijk;

c. de vermelding van het tijdstip van buitenwerkingtreding, hetzij voor het Koninkrijk in zijn geheel, hetzij voor een of meer der landen van het Koninkrijk;

d. de vermelding van voorlopige toepassing van een verdrag als bedoeld in artikel 15."

Art. 18 Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen:

"Voorts kunnen in het Tractatenblad worden geplaatst:

a. een vertaling in het Nederlands van het verdrag of het besluit;

b. gegevens omtrent parlementaire goedkeuring;

c. gegevens omtrent het tijdstip van inwerkingtreding voor andere staten en voor volkenrechtelijke organisaties;

d. gegevens omtrent het tijdstip van buitenwerkingtreding voor andere staten en voor volkenrechtelijke organisaties;

e. andere gegevens."

Art. 18 EU-uitleveringsovereenkomst:

"1. Deze Overeenkomst wordt de Lid-Staten ter aanneming volgens hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen voorgelegd.

2. De Lid-Staten stellen de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Unie in kennis van de voltooiing van de overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen voor de aanneming van deze Overeenkomst vereiste procedure.

3. Deze Overeenkomst treedt in werking negentig dagen na de in lid 2 bedoelde kennisgeving door de laatste Staat die op het tijdstip waarop de akte tot opstelling van deze Overeenkomst door de Raad wordt aangenomen Lid-Staat van de Europese Unie is.

4. Tot de inwerkingtreding van deze Overeenkomst kan elke Lid-Staat bij de kennisgeving als bedoeld in lid 2, of op enig ander tijdstip verklaren dat de overeenkomst negentig dagen na nederlegging van de verklaring op hem van toepassing is in zijn betrekkingen met andere Lid-Staten die eenzelfde verklaring hebben afgelegd.

5. Deze Overeenkomst is alleen van toepassing op verzoeken die worden ingediend na de datum waarop deze in werking is getreden of tussen de aangezochte Staat en de verzoekende Staat van toepassing is geworden."

3.3. In Trb. 2001, 24 is bekend gemaakt dat de EU-uitleveringsovereenkomst in werking zal treden op het in art. 18, derde lid, EU-uitleveringsovereenkomst bedoelde tijdstip. In die bekendmaking is voorts vermeld dat Nederland op 29 juni 2000 de in art. 18, tweede lid, EU-uitleveringsovereenkomst bedoelde kennisgeving heeft gedaan en daarbij de in art. 18, vierde lid, EU-uitleveringsovereenkomst bedoelde verklaring heeft neergelegd.

3.4. Door de bekendmaking in het Tractatenblad van de neerlegging van de in art. 18, vierde lid, EU-uitleveringsovereenkomst bedoelde verklaring is in overeenstemming met het voorschrift van art. 17, eerste lid onder b, Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen gehandeld. Voorzover in het middel wordt geklaagd dat onvoldoende is bekend gemaakt dat Nederland een verklaring als bedoeld in art. 18, vierde lid, EU-uitleveringsovereenkomst heeft afgelegd, faalt het dus.

3.5. Daarmee resteert de klacht dat onvoldoende is bekend gemaakt dat ook België een verklaring in de zin van art. 18, vierde lid, EU-uitleveringsovereenkomst heeft afgelegd.

3.6. Noch uit de Grondwet noch uit art. 16, eerste lid, Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen in verbinding met de art. 17 en 18 van die wet vloeit voort dat in een geval als het onderhavige, dat wordt gekenmerkt door de mogelijkheid van anticiperende inwerkingtreding tussen staten die daartoe verklaringen hebben afgelegd, ook gegevens omtrent het tijdstip van inwerkingtreding voor andere staten in het Tractatenblad of elders dienen te worden opgenomen. De tweede klacht van het middel berust dus op een rechtens onjuist uitgangspunt. De betrokken bestuurlijke en rechterlijke autoriteiten hebben slechts de taak na te gaan of een lid-staat van de EU die een uitleveringsverzoek tot Nederland richt een verklaring in de zin van art. 18, vierde lid, EU-uitleveringsovereenkomst heeft neergelegd. Van die neerlegging zal op enigerlei wijze moeten blijken.

3.7. Het Belgisch Staatsblad van 22 september 2001 bevat de tekst van de Wet van 3 juli 2001 houdende instemming met de EU-uitleveringsovereenkomst. Tevens is daarin onder het kopje "Bijlage" en vervolgens na de aanhef:

"Lijst met de gebonden staten.

Staten Datum notificatie"

onder meer vermeld:

"België 25 juli 2001

Nederland 29 juni 2000"

Voorts is in dat document na de aanhef:

"Voorbehouden en verklaringen die België aflegt inzake de Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende uitlevering tussen de Lid-Staten van de Europese Unie, gedaan te Dublin op 27 september 1996"

onder meer vermeld:

"Verklaring overeenkomstig artikel 18, vierde lid:

"Wat België betreft en op grond van artikel 18, is deze Overeenkomst van toepassing in zijn betrekkingen met de Lid-Staten die een zelfde verklaring hebben afgelegd."

3.8. Uit hetgeen onder 3.7 is weergegeven vloeit voort dat België een verklaring in de zin van art. 18, vierde lid, EU-uitleveringsovereenkomst heeft neergelegd.

3.9. De tweede in het middel vervatte klacht faalt dus ook.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank heeft nagelaten te vermelden op welke bepalingen van de EU-uitleveringsovereenkomst de beslissing berust.

5.2. Het middel is terecht voorgesteld. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden, omdat de Hoge Raad zelf kan bepalen dat de toelaatbaarverklaring van de uitlevering ook berust op art. 7 van de EU-uitleveringsovereenkomst.

6. Ambtshalve beoordeling

6.1. De Rechtbank heeft de feiten naar Nederlands recht gekwalificeerd als "strafbare deelneming" en daarmee kennelijk gedoeld op medeplegen in de zin van art. 47 Sr. De Hoge Raad zal dit verzuim herstellen.

6.2. België heeft de uitlevering verzocht omdat de opgeëiste persoon zich schuldig zou hebben gemaakt aan "mededaderschap invoer, handel en bezit van verdovende middelen in vereniging en deelname aan een criminele

organisatie". In de "uiteenzetting der feiten" is eveneens vermeld dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van "A/ mededaderschap invoer, handel en bezit van verdovende middelen in vereniging (...) B/ criminele organisatie". Daarbij is telkens onder meer verwezen naar art. 324bis en 324ter Strafwetboek waarvan de tekst bij de overgelegde stukken is gevoegd. Die bepalingen bevatten een met art. 140 Sr overeenstemmende strafbaarstelling. Daaruit volgt dat België ook de uitlevering heeft verzocht voor het feit dat naar Nederlands recht is aan te merken als "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven". In de bestreden uitspraak ontbreekt een beslissing op dit onderdeel. De Hoge Raad zal ook dit verzuim herstellen en daarbij als toepasselijke wettelijke bepaling art. 140 Sr vermelden.

7. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 en 6 vermelde gronden aanwezig oordeelt, waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voorzover

- bij de toepasselijke wets- en verdragsbepalingen art. 7 van de EU-uitleveringsovereenkomst en art. 47 en 140 Sr niet zijn vermeld,

- de feiten naar Nederlands recht zijn gekwalificeerd als "deelneming",

- de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard niet tevens zijn aangemerkt als deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

Bepaalt dat de toelaatbaarverklaring van de uitlevering ook berust op art. 7 van de EU-uitleveringsovereenkomst en art. 47 en 140 Sr;

Merkt de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard aan als "medeplegen van (de voortgezette handelingen van) opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2, eerste lid aanhef en onder A, B en C, Opiumwet gegeven verbod" en als "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven".

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en O. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Braber, en uitgesproken op 27 augustus 2002.