Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE5150

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-09-2002
Datum publicatie
27-09-2002
Zaaknummer
C01/286HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE5150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 495
JWB 2002/329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 september 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/286HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

ABN AMRO BANK N.V., gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J. Wuisman,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 22 april 1996 eiseres tot cassatie - verder te noemen: de Bank - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd te verklaren voor recht dat de weigering van de Bank om op of omstreeks 8 december 1992 het saldo van rekening [001] over te maken naar de faillissementsrekening bij de Kas-Associatie onrechtmatig is geweest jegens [verweerder].

De Bank heeft bij verzoekschrift van 16 augustus 1996 verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. De Rechtbank heeft dit verzoek gehonoreerd. De getuigenverhoren hebben plaatsgevonden op 4 oktober 1996 en 19 november 1996.

Vervolgens heeft de Bank de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 12 april 2000 het gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. In hoger beroep heeft [verweerder] zijn eis gewijzigd en aldus gevorderd, kort gezegd, het vonnis waarvan beroep te vernietigen en, alsnog, te verklaren voor recht zoals reeds in eerste aanleg gevorderd en de Bank te veroordelen in de door [verweerder] geleden schade, nader op te maken bij staat dan wel door het Hof vast te stellen.

De Bank heeft zich verzet tegen een gedeelte van de vermeerdering van eis en van haar kant voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld.

Bij arrest van 12 april 2000 heeft het Hof het incidentele appel verworpen, op het principale appel het vonnis waarvan beroep vernietigd en voorts de Bank veroordeeld om aan [verweerder] te vergoeden de schade die deze heeft geleden als gevolg van de ten processe vastgestelde wanprestatie van de Bank, respectievelijk voor de helft en voor 40% (zoals onder rov. 5.40 samengevat), op te maken bij staat. Het meer of anders gevorderde heeft het Hof afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de Bank beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de Bank heeft bij brief van 27 juni 2002 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Bank in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 27 september 2002.