Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4767

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-07-2002
Datum publicatie
02-07-2002
Zaaknummer
01439/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE4767
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Grondwet 121
Wet op de rechterlijke organisatie 20
Wetboek van Strafvordering 269
Wetboek van Strafvordering 359a
Wetboek van Strafvordering 362
Wetboek van Strafvordering 427
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 396
NJ 2003, 2 met annotatie van G. Knigge
O&A 2002, p. 141 (nr.1)
NBSTRAF 2002/190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 juli 2002

Strafkamer

nr. 01439/01

KD/AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 april 2001, nummer 23/001098-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Nieuw Vossenveld Extra Beveiligde Inrichting" te Vught.

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 30 maart 2000 - de Officier van Justitie niet-ontvankelijk verklaard in de verdere vervolging van verdachte.

1.2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Namens de verdachte hebben mr. P.H. Bakker Schut en mr. A.G. van der Plas, advocaten te Amsterdam, het cassatieberoep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof in strijd met het recht niet in het openbaar uitspraak heeft gedaan van het volledige arrest door in de voor anderen dan de verdachte, de raadslieden en het Openbaar Ministerie bestemde versie van het arrest niet alle gronden op te nemen.

3.2. Een aan de beoordeling van het middel voorafgaande vraag is tegen welk van de beide in deze zaak aan de Hoge Raad toegezonden arresten de klachten zich richten. De Hoge Raad beschouwt de ongecensureerde versie als de uitspraak, bedoeld in art. 427, eerste lid, Sv.

3.3. De bestreden uitspraak houdt - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

"De volledige tekst van dit arrest wordt door het hof slechts afgegeven aan de advocaat-generaal en de raadslieden van verdachte. In aan derden te verstrekken afschriften van het arrest zijn enkele passages over personen en zaken zwart gemaakt in het belang van een behoorlijke rechtspleging."

3.4. Het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van het Hof van 17 april 2001 houdt dienaangaande het volgende in:

"De voorzitter deelt mede, dat na de uitspraak voor alle aanwezigen een persbericht klaarligt, alsmede een kopie van het arrest, waarin enkele passages zijn zwart gemaakt. Deze passages zullen thans ook niet worden voorgelezen. Het wel voorgelezene is dragend voor het dictum. In de zwart gemaakte passages volgt een gedetailleerder uitwerking, die verwijst naar hetgeen in getuigenverklaringen tijdens de besloten zitting naar voren is gekomen.

De volledige tekst van het arrest wordt slechts afgegeven aan de advocaat-generaal en de raadslieden van verdachte. In aan derden te verstrekken afschriften van het arrest zijn diezelfde passages over personen en zaken, als hiervoor bedoeld, zwart gemaakt in het belang van een behoorlijke rechtspleging.

De voorzitter spreekt vervolgens het arrest uit

(...)."

3.5. In de gecensureerde versie houdt de bestreden uitspraak, voorzover hier van belang, het volgende in:

"2.3. Tijdens de behandeling in hoger beroep is uit een getuigenverklaring van een hoge ambtenaar van het openbaar ministerie gebleken dat de commissie op de hoogte is gesteld van het bestaan van de overeenkomst en de inhoud daarvan door mr xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx.

Deze getuige heeft onder meer verklaard:

Op de vraag hoe de overeenkomst naar buiten is gekomen antwoord ik het volgende. Ik heb van mevrouw Kalsbeek persoonlijk gehoord dat xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx, bij de commissie Kalsbeek het hele verhaal op tafel had gelegd. Ik was daar niet blij mee.

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx een pittig gesprek met De Wijkerslooth heeft gehad.

(...)

2.5. Uit de samenhang van bovengenoemde getuigenverklaring en de brief van de Minister van Justitie van 3 februari 2000 leidt het hof af, dat (de voorzitter van) het College van Procureurs Generaal niet gelukkig was met xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx bij de commissie Kalsbeek melding had gemaakt van het bestaan van de overeenkomst. De voorzitter heeft immers een 'pittig gesprek' xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx. De minister is evenwel van oordeel (...) dat artikel 7 van de overeenkomst er niet aan in de weg stond om de commissie Kalsbeek in kennis te stellen van (de inhoud van) de overeenkomst.

(...)

4.2. Tijdens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat het openbaar ministerie deze garantie van volledige en absolute geheimhouding op grove wijze heeft geschonden door derden kennis te laten nemen van de inhoud van de gesprekken.

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx."

3.6. De beslissing van het Hof om niet de gehele tekst van het arrest openbaar te maken, is kennelijk ingegeven door de gedachte dat het ontoelaatbaar is informatie te openbaren, die terug te voeren is op feitenmateriaal dat verkregen is tijdens het onderzoek van de zaak met gesloten deuren. Het middel stelt de vraag aan de orde of dergelijke in beslotenheid verkregen gegevens, die deel uitmaken van de uitspraak, buiten de openbaarheid mogen blijven.

3.7. Voor de beoordeling van het middel is het volgende wettelijke kader van belang. Art. 121 GW bepaalt, voorzover hier van belang, dat, met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald, de vonnissen de gronden inhouden waarop zij rusten en dat de uitspraak in het openbaar geschiedt. Ingevolge art. 20, derde lid,(oud) RO behoren onder meer de vonnissen en arresten in strafzaken op straffe van nietigheid in het openbaar te worden uitgesproken en moeten deze zijn ingericht volgens de voorschriften van art. 121 GW. Ook art. 362, eerste lid, Sv vereist een openbare uitspraak. Deze wettelijke regels bevatten geen voorschrift dat een uitzondering toelaat op de grondwettelijke regel dat de vonnissen de gronden inhouden waarop zij rusten en dat de uitspraak in het openbaar geschiedt. Een dergelijke uitzondering is derhalve ook niet gemaakt voor gevallen waarin ten behoeve van de te nemen beslissing gegevens in de uitspraak moeten worden vermeld die zijn verkregen tijdens niet openbare terechtzittingen.

3.8. Aan de voorschriften dat het vonnis de gronden dient te bevatten waarop het rust en dat de uitspraak in het openbaar geschiedt, wordt niet tekort gedaan indien overeenkomstig het in de praktijk gegroeide gebruik volstaan wordt met de voorlezing van het slotoordeel, mits de volledige tekst voor daarvoor in aanmerking komende personen beschikbaar is. In de regel staan die voorschriften evenmin eraan in de weg dat de rechter, indien dit wenselijk wordt geacht ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van in de uitspraak genoemde personen, bij het beschikbaar stellen van de uitspraak zodanige voorzieningen treft dat hun personalia niet geopenbaard worden.

3.9. Uit de hiervoor onder 3.3 en 3.4 geciteerde tekstgedeelten blijkt dat het Hof de uitspraak slechts voor een gedeelte in het openbaar heeft gedaan zonder dat de volledige tekst ter beschikking van derden zou kunnen zijn. Voorts blijkt door vergelijking van de ongecensureerde versie van het arrest met de versie die wel aan derden bekend is gemaakt, dat het Hof niet heeft volstaan met anonimisering van personalia, maar dat het tevens tekstgedeelten heeft doorgehaald die tot nadere motivering strekken van 's Hofs beslissing.

3.10. Hieruit volgt dat het Hof evengenoemde regel heeft miskend. Het middel is derhalve gegrond.

4. Beoordeling van het derde middel

4.1. Het middel komt op tegen de beslissing van het Hof om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

4.2. Het Hof heeft zijn beslissing tot niet-ontvanke-lijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging gemotiveerd als in het arrest weergegeven. Daaruit blijkt dat het Hof zijn oordeel heeft gebaseerd op een viertal omstandigheden, te weten:

i. het door het openbaar ministerie via de commissie Kalsbeek naar buiten brengen van de overeenkomst tussen het openbaar ministerie en de verdachte (in de overwegingen van het Hof weergegeven onder 2.7);

ii. de onzorgvuldigheid in de berichtgeving rond het stopzetten van de gesprekken van het openbaar ministerie met de verdachte (in de overwegingen van het Hof weergegeven onder 3.3);

iii. het, ondanks de absolute garantie van geheimhouding, doelbewust doorspelen van de inhoud van die gesprekken met de verdachte aan derden, te weten medewerkers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (in de overwegingen van het Hof weergegeven onder 4.3);

iv. en het - door het openstaan van microfoons - openbaar worden van hetgeen de verdachte en zijn raadslieden hebben verklaard tijdens de terechtzitting met gesloten deuren in eerste aanleg (in de overwegingen van het Hof weergegeven onder 5.2 en 5.3).

Naar het oordeel van het Hof leveren deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien een zodanige schending op van de belangen van de verdachte en zijn recht op een eerlijk en behoorlijk strafproces dat niet met een lichtere sanctie kan worden volstaan.

4.4. Bij de beoordeling van het middel dient vooropgesteld te worden dat een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging wegens - een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde opleverend - onrechtmatig optreden van de met opsporing en vervolging belaste ambtenaren slechts de vervolging kan betreffen terzake van het feit of de feiten tijdens het onderzoek waarvan dat onrechtmatig optreden zich heeft voorgedaan (vgl. HR 13 februari 2001, NJ 2001, 365, rov. 3.6.1).

4.5. Dit brengt mee dat onrechtmatigheden, ook indien die voor rekening komen van het openbaar ministerie, doch die zich niet hebben voorgedaan in het kader van het onderzoek naar het aan de verdachte tenlastegelegde feit, niet kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van dat feit.

4.6. Nu uit de stukken van het geding bezwaarlijk anders kan volgen dan dat de hiervoor onder 4.3 als i, ii en iii weergegeven omstandigheden zich niet hebben voorgedaan in het kader van het onderzoek naar de in de onderhavige zaak aan de verdachte tenlastegelegde feiten, kunnen eventuele in die omstandigheden gelegen onrechtmatigheden niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Het oordeel van het Hof geeft in zoverre dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

4.7. Nu de beslissing van het Hof is gebaseerd op de samenhang van een aantal omstandigheden, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat deze beslissing niet in stand kan blijven, tenzij de nog niet besproken omstandigheid, bedoeld onder 4.3 ad iv, dat oordeel zelfstandig draagt. Dit laatste is niet het geval, reeds omdat het Hof niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de microfoons per ongeluk hebben opengestaan.

4.8. Ook dit middel is dus terecht voorgesteld.

5. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 2 juli 2002.