Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4730

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2002
Datum publicatie
28-06-2002
Zaaknummer
37194
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 1017 met annotatie van Benning
FED 2002/416
BNB 2002/310
WFR 2002/1026, 2
V-N 2002/34.16

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

D e r d e K a m e r

Nr. 37.194

28 juni 2002

EC

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 mei 2001, nr. BK-00/00246, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 april 1999 tot en met 30 juni 1999 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 66.498, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot op f 50.848. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Belanghebbende heeft in het tijdvak waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft, goederen geleverd aan particulieren die op het punt stonden hun normale verblijfplaats vanuit Nederland over te brengen naar landen buiten de Europese Gemeenschap. Voor een deel had belanghebbende deze goederen zelf in voorraad, voor een ander deel werden zij door de afnemers op naam en voor rekening van belanghebbende bij derden gekocht, waarna belanghebbende de goederen aan hen doorverkocht. Elk door belanghebbende aldus verkocht goed werd na de aankoop rechtstreeks overgebracht naar de opslagruimte van een van de twee verhuisbedrijven waarmee belanghebbende samenwerkte. In deze opslagruimten (douane-entrepots in de zin van artikel 98, lid 2, van het Communautair Douanewetboek) werden de goederen samengevoegd met de tot de verhuisboedels van de desbetreffende afnemers behorende goederen. Vervolgens werden ze van daaruit door het verhuisbedrijf over de haven van R vervoerd naar het land van bestemming. Belanghebbende heeft, zich op het standpunt stellende dat van toepassing was het tarief van nihil, als bedoeld in artikel 9, lid 2, aanhef en letter b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) in samenhang met de bij de Wet behorende Tabel II, post a, 2, ter zake van de leveringen aan de afnemers geen omzetbelasting in rekening gebracht.

3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat ter zake van de onderwerpelijke door belanghebbende verrichte leveringen, die naar 's Hofs oordeel in Nederland hebben plaatsgevonden, het tarief van nihil toepassing mist, aangezien niet kan worden gezegd dat belanghebbende goederen levert welke door haar worden uitgevoerd uit de Gemeenschap of worden gebracht onder het stelsel van douane-entrepots, een en ander zoals bedoeld in de hiervóór vermelde post a, 2.

3.2.2. In het eerste middel wordt aangevoerd dat het Hof met dit oordeel de betekenis en de strekking van artikel 9, lid 2, aanhef en letter b, van de Wet in samenhang met de bij de Wet behorende Tabel II heeft miskend door te beslissen dat geen sprake is van leveringen door belanghebbende tegen vergoeding van goederen, welke worden gebracht onder het stelsel van douane-entrepots. Het middel faalt op grond van het navolgende.

3.2.3. Krachtens het bepaalde in artikel 9, lid 2, aanhef en letter b, van de Wet, in samenhang met de bij de Wet behorende Tabel II, post a, 2, aanhef en tweede streepje, is het tarief van nihil van toepassing ter zake van leveringen van goederen welke door een ondernemer worden gebracht onder het stelsel van douane-entrepots op basis van artikel 98, lid 1, onder b, van het Communautair Douanewetboek. Met deze bepaling is uitvoering gegeven aan de mogelijkheid die wordt geboden in artikel 16, lid 1, aanhef en onderdeel B, letter c, van de Zesde richtlijn om van BTW vrij te stellen de levering van goederen die komen te vallen onder een stelsel van onder meer douane-entrepots. Naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, is de wetgever met post a, 2, aanhef en tweede streepje, van Tabel II gebleven binnen de bevoegdheid die artikel 16, lid 1, aanhef en onderdeel B, letter c, van de Zesde richtlijn geeft.

In 's Hofs in 3.2.1 weergegeven oordeel ligt besloten het in cassatie niet bestreden oordeel dat geen specifieke communautaire wetgeving als bedoeld in artikel 98, lid 1, letter b, van het Communautair Douanewetboek geldt ten aanzien van goederen als de onderhavige. Het Hof heeft daarvan uitgaande de betekenis en de strekking van artikel 9, lid 2, aanhef en letter b, van de Wet in samenhang met de bij de Wet behorende Tabel II niet miskend door te oordelen dat deze goederen niet gebracht worden onder het stelsel van douane-entrepots in de zin van Tabel II, post a, 2, aanhef en tweede streepje. Daaraan doet niet af dat de goederen in de ruimte van een douane-entrepot zijn opgeslagen. De enkele omstandigheid dat goederen in de ruimte van een douane-entrepot zijn opgeslagen, houdt niet in dat de goederen ook onder het stelsel van douane-entrepots zijn gebracht in de zin van artikel 98 van het Communautair douanewetboek (vergelijk artikel 106, lid 2, van het Communautair Douanewetboek).

3.3.1. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat ook het bepaalde in artikel 24, lid 2, van de Wet in samenhang met het bepaalde in artikel 23a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 in dezen geen toepassing vindt, reeds vanwege de omstandigheid dat de klanten van belanghebbende de door hen aangeschafte goederen bij het verlaten van Nederland niet meevoeren in hun persoonlijke bagage. Het begrip persoonlijke bagage kan naar 's Hofs oordeel niet zo ruim worden uitgelegd dat daaronder ook valt de situatie waarin de goederen per schip onder bijpakking in een container bij de verhuisboedel van de desbetreffende afnemer worden getransporteerd naar het land van bestemming buiten de Europese Gemeenschap.

3.3.2. De middelen 2 en 3, waarin belanghebbende tegen dit oordeel doet aanvoeren dat het Hof het begrip "persoonlijke bagage" als in artikel 23a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 bedoeld verkeerd heeft uitgelegd, falen, nu 's Hofs oordeel dienaangaande geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

3.4. Middel 4 behelst een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende stelt in dit verband dat bij concurrenten van haar het tarief van nihil wel toepassing vindt. Uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt niet dat een dergelijke stelling reeds voor het Hof is aangevoerd. De beoordeling van deze stelling vergt een onderzoek van feitelijke aard, waarvoor de cassatieprocedure geen mogelijkheid biedt. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3.5. Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat, in aanmerking genomen de grote financiële belangen voor belanghebbende en de bestaande afspraken en de samenwerking met de verhuisbedrijven, in dezen een ingangsdatum van 1 mei 1999, ten einde belanghebbende de gelegenheid te bieden haar bedrijfsvoering te wijzigen, redelijk is en meer passend in de situatie van belanghebbende. Tegen dit oordeel richt zich middel 5 met de klacht dat belanghebbende pas op 20 augustus 1999 heeft vernomen dat sprake zou zijn van een binnenlandse levering en voornoemd standpunt van de Inspecteur duidelijk was. Het middel miskent dat belanghebbende - naar door het Hof, in cassatie onbestreden, is vastgesteld - door de Inspecteur reeds bij brief van 5 maart 1999 - onder bijvoeging van een circulaire van het ministerie van Financiën - op de hoogte is gebracht van diens gewijzigde opstelling en mist aldus feitelijke grondslag.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2002.