Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4725

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2002
Datum publicatie
28-06-2002
Zaaknummer
37058
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 942 met annotatie van Schellekens
FED 2002/412
BNB 2002/308
WFR 2002/1025, 1
V-N 2002/34.26

Uitspraak

Nr. 37.058

28 juni 2002

TVW

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 maart 2001, nr. P00/01894, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met kenteken AA-00-AA een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend over het tijdvak 26 maart 1998 tot en met 25 maart 2000, ten bedrage van f 3008. De naheffingsaanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur alsmede de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het Hof heeft de in geding zijnde naheffingsaanslag bezien in het licht van het Besluit van de Staatssecretaris van 30 januari 2001, nr. CPP2000/1835, V-N 2001/11.27 (hierna: het Besluit), waarin wordt goedgekeurd - kort gezegd - dat vooralsnog geen naheffingsaanslag wordt opgelegd indien de kentekenhouder aannemelijk maakt dat hij zich heeft vergist over de juiste uitleg van de voor bestelauto's geldende inrichtingseisen. Van zich vergissen in de hiervoor bedoelde zin is volgens het Besluit geen sprake indien een of meer van de inrichtingseisen voor bestelauto's afwijkende aanpassingen zijn aangebracht die, gezien de aard en omvang ervan, tot de conclusie dwingen dat de kentekenhouder bewust van die inrichtingseisen heeft willen afwijken.

3.2. Voor het Hof heeft belanghebbende gesteld dat hij niet wist dat de betrokken auto een personenauto was, en heeft hij zich bereid verklaard de auto eventueel aan te passen aan de wettelijke eisen voor toepassing van het tarief voor een bestelauto.

3.3. Voorzover het middel strekt ten betoge dat het Hof heeft miskend dat het Besluit niet ertoe strekt een algehele onwetendheid betreffende de vigerende regelgeving te pardonneren, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft immers in die zin niet geoordeeld, noch overwogen dat bij belanghebbende iedere kennis omtrent de relevante regelgeving ontbrak.

3.4. Het middel faalt eveneens voorzover het aanvoert dat het herstelbeleid niet is geschreven voor gevallen als het onderhavige, waarin ingrijpende herstelwerkzaamheden nodig zijn om een bepaalde auto te doen voldoen aan de inrichtingseisen voor bestelauto's. Voor deze opvatting is in het Besluit geen steun te vinden; de omvang van de herstelwerkzaamheden sluit op zichzelf ook niet uit dat sprake kan zijn van een vergissing in de zin van het Besluit. Het middel faalt derhalve in zoverre.

3.5. In het middel wordt met juistheid betoogd dat het aan de kentekenhouder is aannemelijk te maken dat hij zich heeft vergist in vorenbedoelde zin. Het Hof heeft dit evenwel niet miskend. Het door belanghebbende te leveren bewijs kon het Hof geleverd achten op grond van uitlatingen van belanghebbende in de gedingstukken en ter zitting van het Hof.

3.6. Het middel kan derhalve ook voor het overige niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2002.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 327.