Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4481

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
37364
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE4481
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2003/185 met annotatie van R.F.C. SPEK
FED 2003/18
Belastingadvies 2003/1.10
FED 2003/44 met annotatie van Redactie
WFR 2003/29, 2
V-N 2003/4.9 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.364

20 december 2002

EC

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 mei 2001, nr. BK-00/00065, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 70.555, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 25 april 2002 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het cassatieberoep, tot vernietiging van de uitspraken van het Hof en de Inspecteur en tot vaststelling van het belastbare inkomen op f 25.521.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is enig aandeelhouder van A B.V. Op 16 december 1996 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van deze vennootschap besloten het geplaatste en gestorte kapitaal van A B.V. te verminderen van f 7.000.000 tot f 4.998.000. De desbetreffende akte van statutenwijziging is op 12 maart 1997 verleden. A B.V. is de terugbetaling van aandelenkapitaal rentedragend schuldig gebleven aan belanghebbende. In 1997 heeft belanghebbende uit dien hoofde f 41.510 aan rente ontvangen van A B.V., die deze rente op grond van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna ook: de Wet) bij het bepalen van de winst niet in aftrek heeft gebracht. Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor het onderhavige jaar deze rente niet als inkomen opgenomen. De Inspecteur heeft op dat punt de aangifte niet gevolgd.

3.2. Het Hof heeft het door belanghebbende gedane beroep op artikel II van de Wet van 13 december 1996 tot wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het versterken van de fiscale infrastructuur, Stb. 1996, 651 (hierna: de Wijzigingswet) afgewezen. Het Hof heeft daartoe geoordeeld dat artikel II van de Wijzigingswet slechts betrekking heeft op situaties die op 1 januari 1997 reeds bestonden, en dat in het onderhavige geval van een dergelijke situatie geen sprake is.

3.3. In het primaire middel wordt betoogd dat in de tekst van artikel II van de Wijzigingswet geen onderscheid wordt gemaakt tussen bestaande en nieuwe gevallen en dat de reikwijdte van dit artikel daarom niet kan worden beperkt tot bestaande gevallen. Het Hof heeft bij zijn uitlegging van evengenoemd artikel in aanmerking genomen dat het een regeling van overgangsrecht betreft. Dat artikel II van de Wijzigingswet dat karakter heeft, wordt door het middel terecht niet bestreden. Het gaat hier dus niet zonder meer om een tijdelijke tegemoetkoming, maar om een voorziening tot het ondervangen van de gevolgen van de beëindiging van een voorheen bestaande rechtssituatie, te weten in dit geval de beëindiging - door het opnemen van artikel 10a in de Wet - van de aftrekbaarheid van bepaalde rentebetalingen. Het Hof heeft hieruit terecht afgeleid dat artikel II van de Wijzigingswet slechts betrekking heeft op feiten die zich hebben voorgedaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 10a en waarvan de rechtsgevolgen zich uitstrekken tot na dat tijdstip. Dat is in overeenstemming met de in 's Hofs uitspraak en in de conclusie van de Advocaat-Generaal vermelde geschiedenis van totstandkoming van deze bepaling. De toekenning van een wijdere strekking aan dat artikel zou een miskenning inhouden van de aard daarvan als bepaling van overgangsrecht. Het primaire middel faalt derhalve.

3.4. Het Hof heeft overwogen dat de tot de rentebetaling aanleiding gevende omstandigheid, namelijk dat de terugbetaling van aandelenkapitaal schuldig wordt gebleven, zich pas na 1 januari 1997 heeft voorgedaan en dat deze omstandigheid niet zodanig, onvermijdelijk, was verbonden met feiten en omstandigheden die zich voor 1 januari 1997 hebben voorgedaan, dat moet worden geoordeeld dat dit schuldig blijven zijn grond heeft gevonden in op 1 januari 1997 aanwezige omstandigheden. Het subsidiaire middel bestrijdt dit oordeel terecht. De wetgever heeft de reikwijdte van de in geding zijnde bepaling niet nader gepreciseerd, en in de strekking van die bepaling als overgangsbepaling ligt niet besloten dat, zoals het Hof heeft aangenomen, het verband met feiten en omstandigheden die zich voor 1 januari 1997 hebben voorgedaan, onvermijdelijk zou moeten zijn. Evenbedoelde strekking laat toe dat deze bepaling ook toepassing vindt indien het schuldig blijven van een teruggaaf van gestort kapitaal onderdeel vormt van een samenstel van (rechts)handelingen, waaraan voor 1 januari 1997 een begin van uitvoering is gegeven. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat hiervan in het onderhavige geval sprake is, nu de schuldigerkenning een uitvloeisel is van een terugbetaling van aandelenkapitaal, waartoe reeds stappen zijn gezet voor 1 januari 1997. Het subsidiaire middel slaagt derhalve.

3.5. Gelet op het hiervoor in 3.4 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Voor het Hof was niet in geschil dat indien artikel II van de Wijzigingswet in dit geval toepassing zou vinden, het belastbare inkomen f 25.521 zou bedragen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Inspecteur,

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 25.521,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 160, alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van f 60, derhalve in totaal f 220 (€ 99,83),

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 799,42, en

wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2002.