Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4473

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2002
Datum publicatie
06-12-2002
Zaaknummer
36905
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE4473
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2003/67 met annotatie van P. KAVELAARS
FED 2002/720
FED 2003/54
Belastingadvies 2003/2.12
WFR 2002/1873
V-N 2003/2.22 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

D e r d e K a m e r

Nr. 36.905

6 december 2002

JMH

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 november 2000, nr. 96/02684, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1994 tot en met 31 december 1994 een naheffings-aanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij uitspraak is verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 14.917.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 13.875.

De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 6 mei 2002 geconcludeerd tot vernietiging van 's Hofs uitspraak en tot verwijzing van de zaak ten behoeve van feitelijk onderzoek.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende dreef te Q vanaf juni 1994 een onderneming, bestaande uit de verkoop van softdrugs, thee, frisdranken, snoep en dergelijke (hierna: de coffeeshop). Belanghebbende werd bij de exploitatie van de coffeeshop bijgestaan door enkele medewerkers met wie hij overeenkomsten was aangegaan welke voldeden aan de materiële voorwaarden voor het bestaan van een dienstbetrekking in dier voege dat de arbeidsverhouding tussen belanghebbende en diens medewerkers er één was waarbij de desbetreffende medewerkers zich hebben verbonden om in dienst van belanghebbende tegen betaling van loon gedurende een zekere tijd arbeid te verrichten. De coffeeshop werd door de gemeente Q niet gedoogd, hoewel er sedert medio oktober 1994 een landelijk gedoogbeleid ten aanzien van de handel in softdrugs bestaat op grond waarvan onder bepaalde omstandigheden niet strafrechtelijk wordt opgetreden tegen coffeeshops (richtlijn van het Ministerie van Justitie nr. 94-304 van 12 oktober 1994, Stcrt. 203).

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat voldaan wordt aan de materiële voorwaarden van de dienstbetrekking, voldoende is om belanghebbendes medewerkers als werknemer in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) aan te merken, ongeacht de formele privaat- of publiekrechtelijke wettigheid van de aan de arbeidsverhouding ten grondslag liggende overeenkomst, zulks op de grond dat bij de heffing van loonbelasting centraal staat het karakter van de verhouding op basis waarvan arbeid wordt verricht en niet zozeer de formeel-juridische basis op grond waarvan de werknemer voor zijn werkgever werkzaam is.

3.3. Het middel bestrijdt dit oordeel van het Hof op de grond dat niet zozeer het karakter van de verhouding op basis waarvan arbeid wordt verricht centraal staat, maar, gelet op het feit dat de belastingwetgever aansluiting heeft gezocht bij het civielrechtelijke begrip dienstbetrekking, de formeel juridische basis. Omdat, aldus het middel, de activiteiten welke belanghebbendes medewerkers in hun arbeidsverhouding verrichten een illegale activiteit vormen, is de overeenkomst tussen belanghebbende en zijn medewerkers nietig op grond van artikel 3:40 BW en ontbreekt de basis voor de heffing van loonbelasting.

3.4. Het is inderdaad zo dat de fiscale wetgever voor het begrip dienstbetrekking niet een eigen fiscaalrechtelijk begrip heeft willen formuleren, maar heeft willen aansluiten bij het civielrechtelijk begrip dienstbetrekking, te weten de arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Indien de tussen belanghebbende en zijn medewerkers gesloten arbeidsovereenkomst - het Hof heeft in cassatie onbestreden vastgesteld dat aan de essentialia van een arbeidsovereenkomst was voldaan - door de werkzaamheden waarop die arbeidsovereenkomst betrekking had naar haar inhoud wegens strijd met de goede zeden of de openbare orde nietig zou zijn, rechtvaardigt dit echter niet de gevolgtrekking dat de medewerkers van belanghebbende van hem geen loon hebben ontvangen in de zin van de Wet. Indien, zoals in het onderhavige geval, een arbeidsovereenkomst is nageleefd als ware het een rechtsgeldige overeenkomst, brengen doel en strekking van de Wet mee dat deze ook jegens de fiscus de daaraan normaal verbonden gevolgen heeft. Het Hof heeft derhalve door belanghebbende inhoudingsplichtig te achten een juist rechtsoordeel gegeven, zodat de daartegen gerichte, in de middelen vervatte klachten falen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2002.