Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4439

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-10-2002
Datum publicatie
04-10-2002
Zaaknummer
C00/263HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE4439
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 508
NJ 2003, 297 met annotatie van W.M. Kleijn
PW 2003, 21598
RvdW 2002, 154
Belastingblad 2003/1105
JWB 2002/348
JBO 2005/347
JM 2003/11 met annotatie van Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 oktober 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/263HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1], wonende te [woonplaats],

2. [Eiseres 2], wonende te [woonplaats],

3. [Eiser 3], wonende te [woonplaats],

4. [Eiser 4], wonende te [woonplaats],

5. [Eiseres 5], wonende te [woonplaats],

6. [Eiseres 6], wonende te [woonplaats],

7. [Eiseres 7], wonende te [woonplaats],

8. [Eiser 8], wonende te [woonplaats],

9. [Eiseres 9], wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J. Wuisman,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - heeft bij exploit van 18 november 1996 verweerders in cassatie - verder te noemen: de erven [betrokkene A] - gedagvaard voor de Rechtbank te Dordrecht en gevorderd de erven [betrokkene A] te veroordelen om aan de Staat te betalen een bedrag van ƒ 123.723,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening.

De erven [betrokkene A] hebben de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft na een tussenvonnis van 20 mei 1998, waarbij partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten als in het vonnis onder 6 vermeld, bij tussenvonnis van 25 november 1998 de Staat tot bewijslevering toegelaten.

Tegen beide tussenvonnissen van de Rechtbank heeft de Staat hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 25 mei 2000 heeft het Hof de bestreden vonnissen vernietigd en de zaak teruggewezen naar de Rechtbank te Dordrecht ter verdere afdoening.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben de erven [betrokkene A] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. J.H.M. van Swaaij, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Erflater [betrokkene A] heeft van 1929 tot 1 januari 1975 een garagebedrijf geëxploiteerd aan de [a-straat 1] en [2] te [woonplaats]. Hij woonde aan de [a-straat 3] (hierna ook: nummer [3]).

(ii) In verband met de exploitatie van het garagebedrijf heeft [betrokkene A] op 19 januari 1934 ten behoeve van nummer [3] en ten laste van het naburige perceel [b-straat 4] (hierna: nummer [4]) een erfdienstbaarheid gevestigd tot het hebben van een benzinepomp met ondergronds reservoir. In 1934 heeft [betrokkene A] gebruik makend van de erfdienstbaarheid op het dienende erf een benzinepomp geplaatst met een brandstofreservoir (de tank waarop het onderhavige geschil betrekking heeft). De tank werd in de grond ingegraven.

(iii) Op 1 januari 1975 is het garagebedrijf (inclusief de exploitatie van de benzine-inrichting) overgedragen aan - en vanaf dat moment voortgezet door - een zoon van [betrokkene A], die op 16 november 1984 is overleden. Op 31 december 1984 heeft [betrokkene A] het bedrijf (na dit samen met een zekere [betrokkene B] van zijn zoon op diens sterfbed te hebben gekocht) "per 10 november 1984" aan derden verkocht.

(iv) Op 5 januari 1987 heeft [betrokkene A] de woning op nummer [3] met de ondergrondse tank op nummer [4] verkocht.

(v) In februari 1987 werden in de grond van nummer [4] oliesporen ontdekt. Er vond een onderzoek plaats en uiteindelijk heeft op kosten van de overheid bodem- en grondwatersanering plaatsgevonden, welke op 7 maart 1989 werd afgerond.

(vi) [Betrokkene A] is op 8 mei 1996 overleden.

3.2 De Staat heeft in dit geding gevorderd dat de erven [betrokkene A] worden veroordeeld tot betaling van ƒ 123.723,-- met rente en kosten. Hij heeft aan deze vordering, kort weergegeven, ten grondslag gelegd dat [betrokkene A] onrechtmatig heeft gehandeld door de tank niet deugdelijk buiten gebruik te stellen en aldus niet te voorkomen dat de grond van het perceel is verontreinigd en voorts dat de erven [betrokkene A] de kosten op de voet van art. 75 Wet bodembescherming aan de Staat dienen te vergoeden, aangezien zij als eigenaar van de tank op grond van art. 1405 (oud) BW aansprakelijk zijn voor de door de Staat geleden schade.

De erven [betrokkene A] hebben de vordering onder andere bestreden met het verweer dat zij niet op grond van art. 1405 (oud) BW aansprakelijk zijn, aangezien de eigendom van de tank is overgegaan op de eigenaar van het dienende erf, nu de tank in de grond van dat erf is ingegraven en niet ten behoeve van [betrokkene A] een recht van opstal is gevestigd.

De Rechtbank heeft voormeld verweer aanvaard op grond van haar oordeel dat een erfdienstbaarheid op zichzelf niet tot gevolg kan hebben dat [betrokkene A] de eigendom van de tank (voorzover hij deze al had) behield, zodat hij de eigendom van de tank in ieder geval in 1934 na ingraving in de grond van het dienende erf heeft verloren. Het Hof heeft de vonnissen vernietigd en de zaak ter verdere afdoening naar de Rechtbank teruggewezen. Het heeft daartoe, voorzover in cassatie van belang, overwogen dat [betrokkene A] in 1934 de erfdienstbaarheid heeft bedongen om een benzinepomp met ondergronds reservoir te hebben op het lijdende erf en voorts dat, wanneer ervan wordt uitgegaan dat [betrokkene A] eigenaar van de pomp en de tank was, hij daardoor het recht verkreeg om op nummer [4] de tank in te graven, zodat na deze ingraving de eigenaar van nummer [4] niet de eigendom van de tank verwierf, maar deze eigendom bij [betrokkene A] bleef (rov. 4).

3.3 Onderdeel 1 keert zich tegen dit oordeel en voert aan dat dit blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het betoogt dat, indien de eigenaar van het heersende erf op het dienende erf een gebouw of werk duurzaam met de grond verenigt - zoals het geval is wanneer een olietank wordt ingegraven - het recht van erfdienstbaarheid niet meebrengt dat de eigenaar van het heersende erf de eigendom behoudt van wat hij met de grond van het dienende erf duurzaam verenigt. Onderdeel 2 is gericht tegen rechtsoverweging 6, waarin het Hof gegrond acht de derde door de Staat aangevoerde grief - waarmee de Staat opkomt tegen de aan hem door de Rechtbank bij tussenvonnis verleende bewijsopdracht - nu het Hof daarbij voortbouwt op zijn in rechtsoverweging 4 gegeven oordeel dat de eigendom van de ingegraven tank bij [betrokkene A] bleef.

3.4 Zoals partijen - terecht - tot uitgangspunt nemen, is in deze zaak het vóór 1 januari 1992 geldende recht van toepassing. Uit art. 656 (oud) BW, evenals thans uit art. 5:20 BW, vloeit als hoofdregel voort dat de eigenaar van grond eigenaar is van de gebouwen en werken die duurzaam met deze grond zijn verenigd. Niet kan worden aanvaard dat door het vestigen van een recht van erfdienstbaarheid - nu erfdienstbaarheden behoudens een te dezen niet van belang zijnde uitzondering, slechts kunnen bestaan uit een dulden of niet-doen (art. 722 (oud) BW, thans 5:71 BW) - in zoverre een uitzondering wordt gemaakt op de genoemde regel, dat in afwijking daarvan de eigenaar van het heersende erf de eigendom van een duurzaam met de grond van het dienende erf verenigde zaak verkrijgt of behoudt. Ook de ten aanzien van de zakelijke rechten met betrekking tot onroerende zaken vereiste rechtszekerheid verzet zich daartegen, met name nu in de openbare registers de van belang zijnde situatie en de wijzigingen daarin, zoals in het onderhavige geval met betrekking tot het werk dat de eigenaar van het heersende erf op het dienende erf laat aanleggen, in de regel niet worden vermeld. Voorts is van belang dat het in deze zaak niet gaat om een bestanddeel van een gebouw, dat op een ander erf staat en eigendom is van de eigenaar van dat andere erf (vgl. HR 28 oktober 1994, nr. 15434, NJ 1995, 96).

Een en ander brengt mee dat 's Hofs oordeel, dat de omstandigheid dat [betrokkene A] het recht verkreeg om op nummer [4] de tank in te graven, meebrengt dat na deze ingraving de eigenaar van nummer [4] niet de eigendom van de tank verwierf, maar deze eigendom bij [betrokkene A] bleef, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De onderdelen slagen derhalve.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 25 mei 2000;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de erven [betrokkene A] begroot op € 1.570,64 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 4 oktober 2002.