Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4437

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-09-2002
Datum publicatie
13-09-2002
Zaaknummer
C00/287HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE4437
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 451
JWB 2002/302
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 september 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/287HR

MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerster,

advocaat: mr. E. Meijer,

t e g e n

STICHTING ONTWIKKELING GEZONDHEIDSZORG OOST-NEDERLAND STOGON, gevestigd te Enschede,

VERWEERSTER in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiseres,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij een ongedateerd exploit verweerster in cassatie - verder te noemen: Stogon - en de onderlinge Waarborgmaatschappij Oostnederland Zorgverzekeraar Ziekenfonds U.A., gevestigd te Enschede, hierna: Oostnederland Zorgverzekeraar, op verkorte termijn gedagvaard voor de Kantonrechter te Enschede en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. uit te spreken dat op de arbeidsovereenkomst van [eiseres] met Stogon de CAO voor de zorgverzekeraars van toepassing is om reden dat Stogon moet worden aangemerkt als een organisatie-onderdeel van Oostnederland Zorgverzekeraar, althans om reden dat het voor Stogon werkzame personen geacht moet worden in dienst te zijn van Oostnederland Zorgverzekeraar, althans om reden dat Stogon als vallende onder artikel 1, a, sub 2 en/of 3 als werkgever moet worden beschouwd die door deze CAO gebonden is;

subsidiair uit te spreken dat Stogon en Oostnederland Zorgverzekeraar gehouden zijn jegens [eiseres] toepassing te geven aan het voor het personeel van Oostnederland Zorgverzekeraar geldende sociaal plan in het algemeen en aan het bepaalde in de artikelen 7 en 8 van dit plan in het bijzonder;

2. Stogon en Oostnederland Zorgverzekeraar te veroordelen de op non-actiefstelling van [eiseres] per 1 oktober 1996 als onrechtmatig jegens [eiseres] in te trekken.

Stogon en Oostnederland Zorgverzekeraar hebben de vorderingen bestreden.

Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] haar vordering tegen Oostnederland Zorgverzekeraar ingetrokken. Voorts heeft zij daarbij het onder 1 en 2 in het petitum van de inleidende dagvaarding gevorderde ingetrokken en vervangen door de volgende gewijzigde eis: Stogon te veroordelen tot vergoeding van de schade die [eiseres] heeft geleden als gevolg van het slechts ten dele jegens haar naleven van de ook voor haar geldende CAO en het daarop gebaseerde sociaal plan, te weten:

a. een jaar salaris inclusief vakantiegeld, vergoedingen en emolumenten;

b. de kosten van een outplacement, te stellen op ƒ 25.000,--;

c. vergoeding van het verlies aan pensioen- en wachtgeldjaren, nader op te maken bij staat.

Stogon heeft ook de gewijzigde vorderingen van [eiseres] bestreden.

De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 9 oktober 1997 een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 23 april 1998 [eiseres] opgedragen de CAO-bepalingen over te leggen en haar in de gelegenheid gesteld, en voor zoveel nodig opgedragen te bewijzen, dat op haar het sociaal plan van Oostnederland, welke in werking is getreden op 1 februari 1995, van toepassing is.

Na enquête heeft de Kantonrechter bij eindvonnis van 22 april 1999 de vorderingen afgewezen.

Tegen dit eindvonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Almelo. Bij memorie van grieven heeft zij de grondslag van haar eis gewijzigd en aangevuld.

Bij tussenvonnis van 22 december 1999 heeft de Rechtbank een comparitie van partijen gelast en bij eindvonnis van 28 juni 2000 heeft zij de bestreden beslissing van de Kantonrechter van 22 april 1999 bekrachtigd.

Het eindvonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindvonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. Stogon heeft zowel tegen het tussenvonnis als tegen het eindvonnis van de Rechtbank voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het principaal beroep.

3. Beoordeling van de middelen in het principaal beroep

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Nu de voorwaarde niet is vervuld, behoeft het voorwaardelijk incidenteel beroep geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principaal beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Stogon begroot op € 359,48 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 13 september 2002.