Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4390

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-06-2002
Datum publicatie
21-06-2002
Zaaknummer
C00/243HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE4390
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 177, geldigheid: 2002-06-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 352
NJ 2003, 690
RvdW 2002, 105
JWB 2002/237

Uitspraak

21 juni 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/243HR

WS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], wonende te [woonplaats], België,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eisereres] - heeft bij exploit van 9 juli 1996 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Maastricht en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de wet zulks toelaat, [verweerder] te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van US$ 280.000, vermeerderd met de wettelijke rente sedert 13 oktober 1994, althans sedert de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening, en met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding, de kosten van het conservatoir beslag daaronder begrepen.

Nadat [verweerder] niet ter terechtzitting was verschenen, heeft de Rechtbank bij verstekvonnis van 19 september 1996 de vordering van [eiseres] toegewezen.

Bij exploit van 8 oktober 1996 is [verweerder] tegen voormeld verstekvonnis in verzet gekomen.

[Eiseres] heeft in oppositie de vordering van [verweerder] bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 11 juni 1998 partijen tot bewijslevering toegelaten en iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen dit tussenvonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij tussenarrest van 7 februari 2000 heeft het Hof het tussen partijen op 11 juni 1998 gewezen vonnis van de Rechtbank, waarvan beroep, vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiseres] tot bewijslevering toegelaten zoals in het dictum is omschreven, en iedere verdere beslissing aangehouden.

Het tussenarrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het tussenarrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder] mede door mr. Y. van Gemerden, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het navolgende.

(i) [Eiseres] en haar zuster zijn de enige erfgenamen van hun moeder, [de moeder], die op 18 augustus 1902 is geboren en op 14 mei 1995 is overleden.

(ii) [De moeder] had een zuster, [de zuster], en een broer, [de broer]. Haar broer is (eind 1994 of begin 1995) overleden.

(iii) Op 27 december 1993 is [de nicht], een nicht van [de moeder], te Singapore overleden. Zij was tot haar overlijden gedurende ongeveer 35 jaar de vaste levenspartner van [de partner].

(iv) Omstreeks april 1994 hebben [de moeder], [de zuster] en [de broer] aan (hun neef) [verweerder] een volmacht verleend tot behartiging van hun belangen inzake hun eventuele rechten op een deel van de nalatenschap van [de nicht].

(v) [Verweerder] heeft op 20 september 1994, na voorafgaande door hem gevoerde schikkingsonderhandelingen,

namens en ten behoeve van [de moeder] met [de schoondochter], schoondochter van [de partner], een overeenkomst gesloten, neergelegd in een "deed of assignment" en inhoudende dat [de schoondochter] aan [de moeder] of aan [verweerder] als haar "attorney" een bedrag van US$ 250.000 zal betalen.

Soortgelijke overeenkomsten zijn gesloten ten behoeve van [de zuster] en [de broer].

(vi) Op 13 oktober 1994 heeft de familie [van de partner] een bedrag van US$ 750.000 overgemaakt op een bankrekening van de echtgenote van [verweerder] in Singapore. Daarnaast heeft de familie [van de partner] op deze datum een bedrag van US$ 90.000 op deze bankrekening overgemaakt.

(vii) Op 26 januari 1995 heeft [de moeder] een verklaring ondertekend, die mede is getekend door [de zuster] en die onder meer inhoudt:

"Ondergetekende verklaart, dat zij de verleende machtiging annuleert. De opdracht is voltooid en zonder wederzijdse verplichtingen volledig afgehandeld."

(viii) Op 17 juli 1996 heeft [de zuster] een verklaring in notariële vorm afgelegd met betrekking tot de hiervoor onder vii vermelde verklaring alsmede ter aanvulling daarvan.

(ix) Op 4 april 1994 heeft [eiseres] een verzoek tot het instellen van bewind over het in het geding zijnde erfdeel van [de nicht], toekomende aan [de moeder], ingediend bij de kantonrechter te Utrecht.

Deze heeft het verzoek bij beschikking van 12 mei 1995 afgewezen.

3.2.1 De vordering van [eiseres] tegen [verweerder] strekt tot betaling van een bedrag van US$ 280.000. Zij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [verweerder] van de familie [van de partner] bedragen van US$ 750.000 en US$ 90.000 heeft ontvangen ten behoeve van drie personen, onder wie haar moeder, en dat [verweerder] deze bedragen, kort gezegd, heeft verduisterd.

3.2.2 De Rechtbank heeft geoordeeld dat vaststaat dat [verweerder] het eerste bedrag heeft ontvangen ter doorbetaling aan de voormelde personen. [Verweerder] is toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij een gedeelte van 40% van dit bedrag, derhalve US$ 300.000, als commissie heeft betaald aan een bemiddelaar van wie de naam onbekend is. [Verweerder] is voorts toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij aan [eiseres] een bedrag van US$ 150.000 in contanten heeft betaald. Ten slotte heeft de Rechtbank [eiseres] toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat [verweerder] een derde gedeelte van het door hem ontvangen bedrag van US$ 90.000 aan haar moeder verschuldigd was.

3.3.1 Het Hof heeft in rov. 4.4 van het bestreden arrest allereerst overwogen dat de grieven 3 en 4 opkomen tegen de beslissing van de Rechtbank om [verweerder] te belasten met het bewijs als hiervoor in 3.2.2 is vermeld.

3.3.2 De hierop volgende overwegingen van het Hof kunnen als volgt worden samengevat.

(a) De stelling van [eiseres] houdt in dat degene die een betaling moet verrichten en stelt dat hij deze heeft verricht, zulks moet bewijzen.

(b) [Eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [verweerder] haar inmiddels overleden moeder heeft opgelicht voor een bedrag van US$ 280.000, dat [verweerder] dit bedrag ten nadele van haar moeder heeft verduisterd, en dat [verweerder] door een samenweefsel van verdichtsels en door misbruik van omstandigheden haar moeder, die 92 jaar oud was en had te maken met een afname van een redelijk inzicht in haar vermogensrechtelijke belangen, heeft bewogen hem een volmacht te geven om haar zaken te behartigen en dat [verweerder] de door hem krachtens deze machtiging aangegane dading met de familie [van de partner], die voor haar moeder dit bedrag had opgeleverd, heeft verzwegen.

(c) [Verweerder] heeft deze grondslag van de vordering gemotiveerd betwist. Volgens hem is, mede blijkens een afwijzing door de kantonrechter van een haar betreffend verzoek tot onderbewindstellling, niet gebleken van de afname van een redelijk inzicht bij de moeder van [eiseres] ter zake van de behartiging van haar vermogensrechtelijke belangen. Voorts heeft [verweerder] aangevoerd dat hij het verloop en het resultaat van de onderhandelingen, waaronder de afdracht van 40% commissie, met de betrokkenen heeft besproken en dat hij hun instemming heeft verkregen. Een van hen heeft nog telefonisch geverifieerd of het netto-resultaat voor de moeder van [eiseres] US$ 150.000 bedroeg en [van de partner] heeft de juistheid van een en ander aan hem bevestigd. [Verweerder] verklaart het ontbreken van kwitanties met betrekking tot de door hem gestelde afdracht aan de moeder van [eiseres] en commissie met een verwijzing naar de uitdrukkelijke wens van de moeder van [eiseres] en haar zuster dat derden onkundig zouden blijven van het feit dat zij een bedrag uit die nalatenschap hadden ontvangen en van de omvang daarvan, onderscheidenlijk met onder meer het feit dat het betalen van commissies in het Verre Oosten gebruikelijk is en dat de gehoudenheid om commissies te betalen aldaar niet schriftelijk pleegt te worden vastgelegd.

(d) De brieven van [verweerder] aan [eiseres] en aan een dochter van een van de andere betrokkenen waarin wordt gesproken over beheer van voor de moeders van geadresseerden ontvangen gelden, zijn het gevolg van het verzoek van die moeders aan hem om een brief te schrijven aan hun dochters om een eind te maken aan het "gezeur" over de erfenis uit Singapore; de in die brieven genoemde overeenkomsten waarbij aan [verweerder] opdracht is gegeven om geld voor de twee moeders te beheren, hebben volgens [verweerder] nooit bestaan.

(e) [Verweerder] verwijst naar de mede door haar zuster ondertekende verklaring van de moeder van [eiseres], waaruit volgens hem blijkt dat hem door laatstgenoemde algehele kwijting en décharge is verleend, en naar de verklaringen van de zuster van de moeder van [eiseres] van 17 juli 1996 en 2 december 1998 die zijn stellingen zouden bevestigen.

3.3.3 In rov. 4.5 heeft het Hof overwogen dat "[b]ij vorenomschreven stand van zaken" op [eiseres] de bewijslast rust ter zake van de stellingname die zij aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. Het Hof heeft [eiseres] toegelaten (a) tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [verweerder] het door hem ingevolge de "deed of assignment" van 20 september 1994 ontvangen bedrag van US$ 150.000 niet aan haar moeder heeft afgedragen. Daartegen keert zich onderdeel 1. Voorts heeft het Hof [eiseres] toegelaten (b) tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [verweerder] in of omstreeks het najaar van 1994 krachtens de evengenoemde "deed of assignment" naast het voormelde bedrag en naast het bedrag van US$ 90.000 bovendien US$ 100.000, althans enig bedrag, ten behoeve van en ter doorbetaling aan de moeder van [eiseres] heeft ontvangen. Daartegen keert zich onderdeel 2.

3.4 Onderdeel 1, dat strekt ten betoge dat de hiervoor in 3.3.3 onder (a) omschreven beslissing berust op een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende is gemotiveerd, slaagt. Het Hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting indien het Hof eraan heeft voorbijgezien dat volgens de hoofdregel van art. 177 (oud) Rv. op [verweerder] de bewijslast rust van zijn stelling dat het bedrag van US$ 150.000 waarvan vaststaat dat hij het als gevolmachtigde van de moeder van [eiseres] had ontvangen, aan deze heeft afgedragen. Indien het Hof wel van de regel van art. 177 (oud) is uitgegaan, is zonder nadere motivering, die evenwel ontbreekt, onbegrijpelijk op grond waarvan het Hof dan tot zijn oordeel is gekomen dat hetzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere bewijslastverdeling voortvloeit hetzij [verweerder] zijn stellingen voorshands voldoende heeft bewezen. De verwijzing door het Hof naar "vorenomschreven stand van zaken" houdt immers niet meer in dan een algemene verwijzing naar de voorafgaande weergave van de vaststaande feiten en de stellingen van partijen, waardoor echter geen inzicht wordt gegeven in de door het Hof gevolgde gedachtengang die geleid heeft tot een oordeel als hiervoor bedoeld.

3.5 Wat onderdeel 2 betreft dient uitgangspunt te zijn dat, zoals de Rechtbank heeft vastgesteld en in hoger beroep niet is bestreden, [verweerder] een bedrag van US$ 250.000 heeft ontvangen ter doorbetaling aan de moeder van [eiseres]. Onderdeel 2.1 klaagt terecht dat er daarom geen grond bestaat [eiseres] te belasten met het bewijs dat [verweerder] naast het bedrag van US$ 150.000 nog een bedrag van US$ 100.000 heeft ontvangen voor dit doel. Indien het Hof met deze bewijsopdracht mocht hebben bedoeld dat [verweerder] geen bewijs behoeft te leveren van zijn stelling dat hij het bedrag van US$ 100.000 als commissie aan een onbekende derde heeft betaald, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Van een onjuiste rechtsopvatting is sprake, indien het Hof heeft miskend dat de bewijslast van de betaling van commissie op [verweerder] rustte, nu [verweerder] voormelde, door [eiseres] gemotiveerd bestreden, stelling heeft aangevoerd als grondslag van zijn verweer dat hij van zijn verplichting tot betaling is bevrijd. Van een ontoereikende motivering is sprake, indien het Hof van oordeel was dat dit verweer voorshands als juist kan worden aanvaard of dat de bewijslast te dezer zake op grond van de redelijkheid en billijkheid op [eiseres] rustte. Zonder motivering, die ontbreekt, valt immers niet in te zien op grond waarvan het Hof tot dit oordeel is gekomen. Het Hof heeft derhalve onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtengang die tot vorenbedoeld oordeel heeft geleid. Een en ander brengt mee dat ook de onderdelen 2.4 en 2.5 slagen. Onderdeel 2 behoeft voor het overige geen bespreking.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 7 februari 2000;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 4.356,95 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, A.G. Pos, D.H. Beukenhorst en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 21 juni 2002.