Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4357

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-09-2002
Datum publicatie
13-09-2002
Zaaknummer
C97/319HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE4357
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 449
JWB 2002/296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 september 2002

Eerste Kamer

Nr. C97/319HR

MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid AMSTERDAMSCHE FOOTBALL CLUB "AJAX", gevestigd te Amsterdam,

2. [Eiseres 2], mede handelende onder de naam FAN PROMOTIONS, gevestigd te Ouderkerk aan de Amstel,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. J.C.H. van Manen, thans mr. T. Cohen Jehoram,

t e g e n

1. [Verweerster 1], wonende te [woonplaats],

2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats],

3. FAN IMAGE B.V., gevestigd te Rotterdam,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen.

1. Het verloop van het geding

De Hoge Raad verwijst naar zijn tussenarrest van 26 februari 1999, NJ 1999, 717, voor het daaraan voorafgegane verloop van het geding. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad de beslissing aangehouden en het geding geschorst totdat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) uitspraak zou hebben gedaan over de vraag of aan art. 50 lid 6 TRIPs-verdrag rechtstreekse werking toekomt.

Deze vraag was reeds door de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage bij vonnis van 25 juni 1998, rolnr. KG 98/611 (Dior/TUK Consultancy), en door de Hoge Raad bij arrest van 30 oktober 1998, nr. 16605 (Assco Gerüste/Layher), NJ 1999, 84, voorgelegd aan het HvJEG.

Bij arrest van 14 december 2000 heeft het HvJEG arrest gewezen in de zaak Dior/Tuk en Assco Gerüste/Layher.

Abusievelijk was ook onderhavige zaak naar het HvJEG gestuurd.

Bij brief van 14 december 2000 heeft het HvJEG de Hoge Raad verzocht of hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven. Bij brief van 19 januari 2001 heeft de Hoge Raad het HvJEG bericht dat handhaving van het prejudiciële verzoek naar zijn oordeel geen belang meer had.

Bij beschikking van 13 februari 2001 heeft de President van het HvJEG de onderhavige zaak in het register van het Hof doorgehaald.

2. Het verdere verloop van het geding in cassatie

Partijen hebben afgezien van een nadere toelichting en opnieuw om arrest gevraagd.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de zaak naar het Hof Amsterdam, met reservering van een beslissing over de kosten tot aan de einduitspraak.

3. Verdere beoordeling van het middel

3.1 In zijn voormelde tussenarrest heeft de Hoge Raad vastgesteld dat onderdeel I is ingetrokken en geoordeeld dat onderdeel II ongegrond is en dat onderdeel III doel treft. Met betrekking tot onderdeel IV heeft de Hoge Raad vastgesteld dat onderdeel a is ingetrokken en geoordeeld dat de onderdelen c en d tevergeefs zijn voorgedragen.

3.2 Onderdeel IVb klaagt dat het Hof door met toepassing van art. 50 lid 6 van het TRIPs de termijn waarbinnen Ajax c.s. een bodemprocedure aanhangig dienden te maken heeft bepaald op een maand na betekening van 's Hofs arrest, ten onrechte ervan is uitgegaan dat deze bepaling rechtstreekse werking heeft. In zijn voormelde tussenarrest heeft de Hoge Raad de beslissing aangehouden en het geding geschorst, totdat het HvJEG uitspraak heeft gedaan over deze vraag. In het hiervoor onder 1 vermelde arrest van 14 december 2000 in de gevoegde zaken van C-300/98 en C-392/98 (Dior/Tuk en Assco/Layher), NJ 2001, 403, heeft het HvJEG bedoelde vraag beantwoord.

3.3 Vermeld arrest houdt, voorzover in cassatie van belang, het volgende in:

"42 Volgens vaste rechtspraak moet een bepaling van een door de Gemeenschap met derde staten gesloten overeenkomst worden geacht rechtstreeks toepasselijk te zijn wanneer, gelet op de bewoordingen, het doel en de aard van de overeenkomst, kan worden geconcludeerd, dat de bepaling een duidelijke, nauwkeurige en onvoorwaardelijke verplichting behelst, voor de uitvoering en werking waarvan geen verdere handeling is vereist (...).

43 Het Hof heeft reeds geoordeeld, dat de WTO-overeenkomst c.a., gelet op hun aard en opzet, in beginsel niet behoren tot de normen waarvan het Hof de wettigheid van handelingen van de gemeenschapsinstellingen toetst krachtens artikel 173, eerste alinea, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 230, eerste alinea, EG) (zie arrest van 23 november 1999, Portugal/Raad, C-149/96, Jurispr. blz. I-8395, punt 47).

44 Om dezelfde redenen als door het Hof uiteengezet in de punten 42 tot en met 46 van voornoemd arrest Portugal/Raad, zijn de bepalingen van het aan de WTO-overeenkomst gehechte TRIPs niet van dien aard, dat zij voor particulieren rechten in het leven roepen waarop deze zich krachtens het gemeenschapsrecht voor de rechter rechtstreeks kunnen beroepen.

45 Met de vaststelling, dat de bepalingen van het TRIPs in deze zin geen "rechtstreekse werking" hebben, is het door de verwijzende rechter aan de orde gestelde probleem evenwel niet geheel opgelost.

46 Artikel 50, lid 6, van het TRIPs is immers een procedurevoorschrift dat door de communautaire en nationale rechterlijke instanties behoort te worden toegepast ingevolge de verbintenissen die zowel de Gemeenschap als de lidstaten zijn aangegaan.

47 Betreft het een gebied waarop het TRIPs van toepassing is en de Gemeenschap reeds regelgevend is opgetreden, zoals het geval is met het merkenrecht, moeten de rechterlijke autoriteiten van de lidstaten, zoals uit het voornoemde arrest Hermès [arrest van 16 juni 1998, C-53/96, Jurispr. blz. I-3603 NJ 1999, 240] volgt en met name uit punt 28 daarvan, wanneer zij met toepassing van hun nationale recht voorlopige maatregelen treffen ter bescherming van rechten die tot dat gebied behoren, krachtens het gemeenschapsrecht hun nationale regels zoveel mogelijk toepassen in het licht van de bewoordingen en het doel van artikel 50 van het TRIPs.

48 Betreft het daarentegen een gebied waarop de Gemeenschap nog niet regelgevend is opgetreden en dat bijgevolg tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort, worden de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten en de daartoe door de rechterlijke autoriteiten getroffen maatregelen niet door het gemeenschapsrecht beheerst. Het gemeenschapsrecht verlangt derhalve niet, maar sluit evenmin uit, dat de rechtsorde van een lidstaat particulieren het recht toekent om zich rechtstreeks op artikel 50, lid 6, van het TRIPs te beroepen, of de rechter verplicht deze bepaling ambtshalve toe te passen".

3.4 Uit de hiervoor in 3.3 weergegeven overwegingen van het arrest Dior/Tuk volgt dat in de onderhavige zaak, waarin het om een merkenrechtelijk en een auteursrechtelijk geschil gaat en die dus gebieden betreft waarop de Gemeenschap regelgevend is opgetreden, de rechter, wanneer hij met toepassing van het nationale recht voorlopige maatregelen treft ter bescherming van rechten die tot deze gebieden behoren, krachtens het gemeenschapsrecht zijn nationale regels zoveel mogelijk moet toepassen in het licht van de bewoordingen en het doel van art. 50 van het TRIPs. Het onderdeel is derhalve gegrond voorzover het erover klaagt dat het Hof door art. 50 lid 6 toe te passen ten onrechte heeft geoordeeld dat dit artikel rechtstreekse werking heeft. Desondanks kan onderdeel IVb, dat voor het overige niet klaagt over het aanvangstijdstip van de door het Hof bepaalde termijn maar slechts over de duur daarvan, niet tot cassatie leiden, omdat het Hof door die termijn op een maand te bepalen niet blijk heeft gegeven van een in het licht van de bewoordingen en het doel van art. 50 van het TRIPs onjuiste rechtsopvatting.

3.5 Nu [verweerder] c.s. zich in de schriftelijke toelichting ten aanzien van onderdeel III hebben gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad en de door het onderdeel bestreden beslissing niet hebben uitgelokt noch in cassatie hebben verdedigd, zal de Hoge Raad de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie reserveren tot de einduitspraak.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 oktober 1997;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;

begroot deze kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van Ajax c.s. op € 336,34 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris, en aan de zijde van [verweerder] c.s. op € 271,-- aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 13 september 2002.