Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4241

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-09-2002
Datum publicatie
25-09-2002
Zaaknummer
00300/02 00524/02
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE4241
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Opiumwet 10
Opiumwet 13
Wet op de rechterlijke organisatie 56
Wet op de rechterlijke organisatie 56
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 504
NJ 2003, 4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 september 2002

Strafkamer

nr. 00300/02 en 00524/02

IV/AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 23 oktober 2001, nummer 23/001421-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedatum] 1952, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring "De Compagnie en Zwaag" te Zwaag.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft - voorzover in cassatie van belang - verstaan dat de verdachte beroep in cassatie heeft ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 18 april 2001 voorzover hij daarbij ter zake van het bij inleidende dagvaarding onder 1 tenlastegelegde is veroordeeld tot een gevangenisstraf en het heeft de duur daarvan bepaald op een jaar.

2. Geding in cassatie

2.1. Tegen het arrest van het Hof is door de Advocaat-Generaal bij het Hof beroep in cassatie ingesteld. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Blijkens deze schriftuur richt het beroep zich uitsluitend tegen de hiervoor onder 1 vermelde beslissingen van het Hof.

De raadsvrouwe van de verdachte, mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft het cassatieberoep tegengesproken.

2.2. Tegen het hiervoor onder 1 vermelde vonnis van de Rechtbank heeft mr. J. Kuijper namens de verdachte bij schriftuur voorwaardelijk middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.3. De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd

(a) dat de Hoge Raad de hiervoor onder 1 vermelde beslissingen van het Hof zal vernietigen en zal bepalen dat de stukken van het geding ter behandeling en afdoening van het namens de verdachte ingestelde hoger beroep ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit zullen worden teruggezonden aan de Griffier van het Gerechtshof te Amsterdam, en

(b) dat de namens de verdachte voorgestelde middelen geen bespreking behoeven.

3. Beoordeling van het middel van de Advocaat-Generaal bij het Hof

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat tegen het vonnis van de Rechtbank wat betreft het onder 1 tenlastegelegde feit geen hoger beroep openstond.

3.2.1. Aan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd:

"dat hij op of omstreeks 10 september 2000 te Amsterdam en/of Akersloot, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aanwezig heeft gehad 46300 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I."

3.2.2. Daarvan heeft de Rechtbank bij het hiervoor onder 1 vermelde vonnis bewezenverklaard:

"dat hij op 10 september 2000 te Akersloot tezamen en in vereniging met een ander aanwezig heeft gehad 46300 tabletten van een materiaal bevattende MDMA."

3.2.3. Het bewezenverklaarde is door de Rechtbank gekwalificeerd als "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod". De Rechtbank heeft - met toepassing van art. 57 Sr - de verdachte ter zake van dit en andere feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden.

3.3. Blijkens de daarvan opgemaakte akte is namens de verdachte op 24 april 2001 - zonder enige beperking - "beroep" ingesteld tegen vorenbedoeld vonnis van de Rechtbank.

3.4. Onder het hoofdje "De beoordeling van het hoger beroep ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde" heeft het Hof het volgende overwogen:

"Blijkens het onder 1 tenlastegelegde, zoals dat op de voet van artikel 314a Wetboek van Strafvordering ter terechtzitting van 18 januari 2001 op vordering van de officier van justitie is aangepast, is verdachte vervolgd ter zake van het (medeplegen van) aanwezig hebben van MDMA-tabletten - een overtreding als bedoeld in artikel 10, eerste lid onder a, Opiumwet. De rechtbank heeft verdachte bij vonnis van 18 april 2001 veroordeeld ter zake van dit feit en het bewezenverklaarde gekwalificeerd als een misdrijf bedoeld in artikel 10, tweede lid, Opiumwet; tevens heeft de rechtbank gevangenisstraf opgelegd. Deze misslagen kunnen evenwel niet tot een ander oordeel leiden dan dat verdachte is veroordeeld ter zake van een overtreding.

Op grond van artikel 56 lid 5 RO (oud) stond tegen een veroordeling ter zake van een dergelijke overtreding geen hoger beroep open voor verdachten die 18 jaar of ouder waren (vgl. HR 30 januari 1990, NJ 1990, 420). Bij wet van 28 oktober 1999 (Stb. 1999, 467) is (ondermeer) de Wet RO - en ook dit wetsartikel - gewijzigd. Met deze wetswijziging is beoogd de mogelijkheid tot het aanwenden van een rechtsmiddel in geval van veroordeling ter zake van overtredingen te beperken. Daartoe is ondermeer artikel 44, tweede lid, Wet RO (betreffende vonnissen van kantonrechters) herschreven. Dit artikellid luidt thans als volgt:

Tegen hun vonnissen staat hoger beroep open voor de officier van justitie en de verdachte, tenzij in de einduitspraak:

a. met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd, of

b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes zijn opgelegd, tot een gezamenlijk maximum - van honderd gulden.

Een inhoudelijk gelijke bepaling is in vrijwel identieke bewoordingen, die kennelijk aan artikel 44 lid 2 Wet RO zijn ontleend, neergelegd in artikel 56 lid 6 Wet RO. In de Memorie van Toelichting (Kamerstuk II 26 027, nr. 3, p. 25 en 26) wordt de strekking van de hier bedoelde bepaling geheel aan de hand van art. 44 Wet RO uiteengezet. Blijkbaar is beoogd met artikel 56 lid 6 Wet RO een zelfde effect te bewerkstelligen als met artikel 44 lid 2 Wet RO. Uit de Memorie van Toelichting noch uit enig ander Kamerstuk - en evenmin uit het rapport 'De toegang tot de cassatierechter' van de Commissie werkbelasting strafkamer Hoge Raad, dat aan het wetsvoorstel ten grondslag lag - blijkt dat beoogd is in het kader van deze wetswijziging een nieuwe appelmogelijkheid te creëren ter zake van de in artikel 56 lid 1 onder d bedoelde overtredingen van de Opiumwet, waar het in de onderhavige zaak over gaat. Integendeel, het betreffende wetsvoorstel strekte ertoe de mogelijkheden van appel en cassatieberoep te beperken. In dat licht beschouwd moet het totstandbrengen van een extra appelmogelijkheid als een ongerijmdheid worden opgevat, tenzij hier uitdrukkelijk melding van is gemaakt. Nu in de Kamerstukken niets is te vinden over een nieuwe appelmogelijkheid als hier bedoeld, die niettemin de consequentie zou zijn van een letterlijke lezing van het huidige artikel 56 lid 6 Wet RO, moet het er voor gehouden worden dat een dergelijke appelmogelijkheid de wetgever niet voor ogen heeft gestaan en de bewoordingen van artikel 56 lid 6 Wet RO in zoverre op een kennelijke misslag berusten. Het hof is derhalve van oordeel dat met het inwerkingtreden van het huidige artikel 56 lid 6 Wet RO geen hoger beroep is opengesteld tegen veroordelingen ter zake van overtredingen als bedoeld in artikel 56, eerste lid onder d, Wet RO. In het onderhavige geval zal het namens verdachte ingestelde hoger beroep ter zake van hetgeen onder 1 bewezen is verklaard dan ook worden verstaan als beroep in cassatie, waar ter terechtzitting in hoger beroep gebleken is dat verdachte het rechtsmiddel heeft willen aanwenden dat voor hem openstond, en zullen de stukken van het geding - voor zover deze betrekking hebben op hetgeen onder 1 bewezen is verklaard - worden doorgezonden naar de Hoge Raad."

3.5. Het op 1 oktober 2000 in werking getreden, te dezen toepasselijke art. 56 RO luidde als volgt:

"1. De arrondissementsrechtbanken vonnissen in eerste aanleg over:

(...)

d. de overtredingen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, en 11, eerste lid, van de Opiumwet;

(...)

6. Tegen vonnissen van de rechtbanken voor zover betreffende een of meer overtredingen staat hoger beroep open voor de officier van justitie en voor de verdachte, tenzij terzake in de einduitspraak:

a. met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd, of

b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes zijn opgelegd, tot een gezamenlijk maximum - van honderd gulden.

7. Tegen de in het zesde lid onder a en b bedoelde vonnissen staat evenmin beroep in cassatie open, tenzij zij een overtreding betreffen van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam.

(...)."

3.6. Gelet op het bepaalde in art. 10, eerste lid, Opiumwet in verbinding met art. 13, eerste lid, van die wet is aan de verdachte onder 1 een overtreding tenlastegelegd. Ingevolge art. 56, eerste lid aanhef en onder d, (oud) RO in verbinding met art. 56, zesde lid, (oud) RO is een vonnis gewezen ter zake van een overtreding als bedoeld in art. 10, eerste lid, Opiumwet, aan hoger beroep onderworpen, behoudens indien bij dat vonnis met toepassing van artikel 9a Sr geen straf of maatregel is opgelegd, dan wel geen andere straf of maatregel is opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes zijn opgelegd, tot een gezamenlijk maximum - van honderd gulden. Gelet op de door de Rechtbank mede ter zake van de onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde overtreding opgelegde gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden, doet een van de evenbedoelde uitzonderingen zich hier niet voor. Dat brengt mee dat tegen de beslissingen van de Rechtbank ter zake van de onder 1 tenlastegelegde overtreding hoger beroep openstond.

3.6. Het andersluidende oordeel van het Hof is dus onjuist. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

4. Beoordeling van de middelen van de verdachte

De middelen zijn voorgesteld onder de voorwaarde dat de Hoge Raad het beroep van de Advocaat-Generaal bij het Hof tegen de hiervoren onder 1 vermelde beslissingen van het Hof verwerpt. Nu de Hoge Raad dat beroep evenwel gegrond oordeelt, is de genoemde voorwaarde niet vervuld, zodat de middelen geen bespreking behoeven.

5. Slotsom

Het vorenoverwogene brengt mee dat de onder 1 vermelde beslissingen van het Hof niet in stand kunnen blijven en dat de zaak moet worden teruggewezen opdat zij in zoverre op het bestaande hoger beroep wordt berecht en afgedaan.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak voorzover daarbij is verstaan dat de verdachte tegen het vonnis van de Rechtbank te Amsterdam ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit beroep in cassatie heeft ingesteld en voorzover het Hof de straf die de Rechtbank ter zake van dit feit heeft opgelegd, heeft bepaald op een jaar gevangenisstraf;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak met inachtneming van dit arrest in zoverre op het bestaande hoger beroep wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 24 september 2002.