Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4201

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-09-2002
Datum publicatie
17-09-2002
Zaaknummer
01369/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE4201
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 465
NJ 2002, 549
VR 2002, 212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 september 2002

Strafkamer

nr. 01369/01

EW/HdN

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 30 maart 2001, nummer 24/000635-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 18 juli 2000 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood" veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 180 uren, in plaats van vier maanden gevangenisstraf, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

1.2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. De middelen komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het Hof dat te dezen sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:

"dat hij op 3 juli 1999 bij Steggerda, in de gemeente Weststellingwerf, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig te weten een personenauto van het type Mazda 626, kenteken [AA-AA-00], daarmede (aanvankelijk) rijdende in (ongeveer) oostelijke richting over de weg, de Steggerdaweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, immers heeft verdachte aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, - nadat verdachte dat door hem bestuurde motorrijtuig juist voorbij de kruising gevormd door voornoemde weg, de Hoeveweg en de Turfhoekweg tot stilstand had gebracht - met dat motorrijtuig een bijzondere manoeuvre uitgevoerd door in (ongeveer) westelijke richting achteruit te rijden en daarbij niet overig verkeer, te weten een zich op die kruising bevindende fietser (genaamd [het slachtoffer]) laten voorgaan en daarmee bij en op die kruising achteruit gereden met een snelheid van ongeveer 20,6 kilometer per uur en is verdachte niet in staat geweest dat door hem bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover verdachte die Steggerdaweg en die kruising kon overzien en waarover deze vrij waren, door welk een en ander verdachte met (de achterzijde van) dat door hem bestuurde motorrijtuig tegen voornoemde fietser ([het slachtoffer]) - die die Steggerdaweg ter hoogte van voornoemde kruising overstak - is gereden waardoor voornoemde [het slachtoffer] werd gedood."

3.2.2. De bestreden uitspraak houdt onder het hoofdje "Verwerping van het verweer" het volgende in:

"Door de raadsman is ter 's hofs terechtzitting betoogd dat het eerste in de telastelegging opgenomen verwijt geen verwijt aan verdachte is en derhalve geen rol kan spelen bij het bepalen van de aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, omdat het heel goed zou kunnen zijn dat verdachte voorrang had boven de fietser, die een met borden en haaientanden duidelijk aangegeven voorrangskruising is opgereden en zich daarbij moet vergewissen of de weg links en rechts vrij is om over te steken.

Het hof verwerpt dit verweer op grond van het navolgende. Door een bijzondere, van een normaal verkeersbeeld afwijkende manoeuvre als achteruitrijden, in dit geval: in de richting van en op een kruising, te verrichten en daarbij een zich op die kruising bevindende fietser aan te rijden, heeft verdachte de door artikel 54 RVV 1990 op hem gelegde absolute verplichting geschonden om al het overige verkeer - ook op een kruising als de onderhavige - voor te laten gaan.

Buiten de verdachte gelegen omstandigheden die hem verhinderden om aan die verplichting te voldoen zijn niet aannemelijk geworden."

3.3. De middelen komen niet op tegen het juiste oordeel van het Hof dat art. 54 RVV 1990, inhoudende dat bestuurders die een bijzondere manoeuvre uitvoeren - waaronder achteruitrijden - het overige verkeer voor moeten laten gaan, prevaleert boven de voor dat overige verkeer geldende voorrangsregels.

3.4.1. In het eerste middel wordt erover geklaagd dat het verweer dat het aan de verdachte te maken verwijt niet ernstig genoeg is om van "een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid" te kunnen spreken, niet is weerlegd door de hiervoren onder 3.2.2 weergegeven overwegingen van het Hof.

3.4.2. Klaarblijkelijk heeft het Hof de bewezenverklaarde tenlastelegging aldus begrepen dat de daarin voorkomende uitdrukking "schuld" is gebezigd in de betekenis van "schuld" in de zin van art. 6 WVW 1994, waaronder verstaan moet worden een min of meer grove of aanmerkelijke schuld. Deze (mate van) schuld kan worden afgeleid uit de inhoud der gebezigde bewijsmiddelen. Het in het middel bedoelde verweer vindt derhalve zijn weerlegging in de gemotiveerde bewezenverklaring. Het Hof behoefde dienaangaand dus niet afzonderlijk te beslissen.

3.5.1. In het tweede middel wordt betoogd dat het Hof niet gemotiveerd heeft beslist op het verweer dat "niet uitgesloten moet worden geacht dat de fietser plotsklaps met hoge snelheid de weg is opgereden, waardoor verzoeker onmogelijk het ongeval meer kon voorkomen".

3.5.2. Het middel mist feitelijke grondslag. In de overweging van het Hof dat "buiten de verdachte gelegen omstandigheden die hem verhinderden om aan die verplichting te voldoen" niet aannemelijk zijn geworden, ligt immers besloten dat de in het verweer bedoelde mogelijkheid niet aannemelijk is bevonden.

3.6. Uit het voorgaande volgt dat de middelen falen.

4. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 september 2002.