Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4200

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-09-2002
Datum publicatie
04-11-2002
Zaaknummer
01355/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE4200
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 46
Wetboek van Strafvordering 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2002, 244
NBSTRAF 2002/244
NJ 2002, 626
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 september 2002

Strafkamer

nr. 01355/01

ES/AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 april 2001, nummer 22/002567-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 7 juni 2000 - de verdachte ter zake van "medeplegen van voorbereiding van diefstal met geweldpleging, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen of medeplegen van voorbereiding van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.J.M. Bommer, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Het eerste middel komt onder meer op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat de inleidende dagvaarding nietig is.

3.2. Aan de verdachte is - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang -, tenlastegelegd dat:

"hij in of omstreeks de periode van 9 november 1999 tot en met 24 januari 2000 te Capelle aan den IJssel (...) in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander (...), ter voorbereiding van een misdrijf, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld in vereniging hetgeen het misdrijf van artikel 312 lid 1 en lid 2 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht en/of afpersing in vereniging hetgeen het misdrijf van artikel 317 lid 1 en lid 3 van het Wetboek van Strafrecht oplevert, opzettelijk

- een bivakmuts althans een voor vermomming geschikt voorwerp en/of

- een of meer (gestolen) auto('s) kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft(...) voorhanden gehad, (...) hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen aldaar (onder meer)

- met en/of vanuit een voertuig (een) observatie(s) gedaan/uitgevoerd van (een) pand(en) (waarin (een) filia(a)l(en) van de ING-bank en/of ABN/AMRO-bank en/of (een) (andere) bank(en) en/of winkel(s) gevestigd is/zijn te Delft en/of Vlaardingen) en/of

- met en/of vanuit een voertuig (een) observatie(s) gedaan/uitgevoerd van (een) geld- en waardetransportbedrij(f)(ven) (gevestigd op bedrijvenpark

Rivium te Capelle aan den IJssel) en/of

- met en/of vanuit een (rijdend) voertuig (een) auto('s) en/of personeel van (een) geld- en/of waardetransportbedrij(f)(ven) gevolgd en/of geobserveerd (te Rotterdam en/of Delft en/of te Vlaardingen);"

3.3. Het Hof heeft een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

"a) De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de inleidende dagvaarding nietig moet worden verklaard, omdat daarin niet alle bestanddelen van de misdrijven, bedoeld in de artikelen 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zijn opgenomen. Het hof verwerpt deze stelling, omdat naar zijn mening de misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld, in hetgeen aan verdachte (primair) wordt tenlastegelegd, voldoende concreet zijn omschreven".

3.4. Het eerste middel bevat onder meer een tegen de onder 3.3 weergegeven overweging van het Hof gerichte klacht, daarop neerkomende dat het Hof heeft miskend dat bij een op art. 46 Sr gebaseerde tenlastelegging alle bestanddelen van het misdrijf als in die bepaling bedoeld waarop de voorbereidingshandelingen waren gericht, in de tenlastelegging dienen te worden opgenomen.

3.5. De tenlastelegging is toegesneden op art. 46 (oud) Sr. Die bepaling stelt kort gezegd strafbaar de uit bepaalde handelingen bestaande voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. Het gaat dus om een situatie waarin het beoogde misdrijf of een begin van uitvoering daarvan niet is gevolgd, zodat in de regel een concrete omschrijving van de wijze waarop het voorbereide misdrijf gepleegd zou gaan worden niet mogelijk is. Voor een veroordeling is noodzakelijk dat vaststaat op welk soort misdrijf met een strafmaximum van acht jaren of meer de voorbereidingshandelingen waren gericht. Dat dient dan ook in de tenlastelegging te worden opgenomen. Maar dat betekent niet dat alle bestanddelen van dat misdrijf in de tenlastelegging moeten worden opgesomd. Voldoende is dat op grond van de tenlastelegging duidelijk is op welk in de strafwet omschreven misdrijf met een strafbedreiging van acht jaren gevangenisstraf of meer, de nader omschreven voorbereidingshandelingen volgens de steller van de tenlastelegging waren gericht.

3.6. De opvatting waarop de klacht berust is dus niet juist, zodat de klacht faalt.

3.7. Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 september 2002.