Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4197

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-09-2002
Datum publicatie
04-11-2002
Zaaknummer
01312/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE4197
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 82
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 301
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafvordering 359
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 september 2002

Strafkamer

nr. 01312/01

AG/AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 augustus 2000, nummer 23/002494-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 22 juli 1999 - de verdachte vrijgesproken van het hem in zaak A bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van (zaak A) "zware mishandeling" en (zaak B) "poging tot doodslag" veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaar-delijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Groen, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel strekt ten betoge dat de bewezenverklaring in zaak A onvoldoende met redenen is omkleed omdat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte zwaar lichamelijk letstel aan het slachtoffer heeft toegebracht.

3.2. Het Hof heeft in zaak A bewezenverklaard dat de verdachte:

"op 15 juni 1997 te Nieuwegein aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een gebroken neus en een gescheurde bovenlip), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] opzettelijk gewelddadig meermalen die [slachtoffer] met zijn vuisten tegen het hoofd te slaan."

3.3. Ten aanzien van het letsel houden de gebezigde bewijsmiddelen in als verklaring van het slachtoffer tegenover de politie:

"Ik voelde een hele harde klap op mijn hoofd. Ik voelde dat er op mij werd geslagen. In het ziekenhuis bleek dat ik een gebroken neus en een gescheurde bovenlip had."

3.4. In aanmerking genomen hetgeen aldus omtrent het toegebrachte letsel is vastgesteld en in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat de gebezigde bewijsmiddelen noch wat betreft de gebroken neus van het slachtoffer noch wat betreft zijn gescheurde bovenlip iets inhouden omtrent de aard van de breuk onderscheidenlijk de ernst van de verwonding, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel, is het oordeel van het Hof dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen niet zonder meer begrijpelijk.

De bewezenverklaring is dus niet naar behoren met redenen omkleed. Daaraan doet niet af de inhoud van het in het middel en de conclusie van de Advocaat-Generaal bedoelde faxbericht van de behandelend medisch specialist, dat zich bij de stukken van het geding bevindt. Het Hof heeft immers als rechter die over de feiten oordeelt en aan wie deswege de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden, dit faxbericht niet tot het bewijs doen meewerken.

3.5. Het middel is dus terecht voorgesteld.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

5.1. De verdachte heeft op 11 augustus 2000 beroep in cassatie ingesteld. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 9 april 2002 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

5.2. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. De rechter naar wie de zaak zal worden verwezen zal die overschrijding bij de strafoplegging dienen te betrekken.

6. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voorzover aan zijn oordeel onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het in zaak A tenlastegelegde en de strafoplegging;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 17 september 2002.