Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4170

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
17-06-2002
Zaaknummer
36863
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 872 met annotatie van Kastelein
Belastingblad 2002/890
BNB 2002/294
FED 2002/379
WFR 2002/943
V-N 2002/32.27

Uitspraak

Nr. 36.863

14 juni 2002

TVW

gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 3 januari 2001, nr. 96/1618, betreffende na te melden aan X B.V. te Z opgelegde aanslag in de toeristenbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 ter zake van het gelegenheid bieden tot verblijf op haar ter beschikking staande terreinen een aanslag in de toeristenbelasting van de gemeente Ede opgelegd ten bedrage van f 10.500, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd afdeling Belastingen van de gemeente Ede is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak en de daarbij gehandhaafde aanslag van f 10.500 vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat uit de Verordening toeristenbelasting 1996 van de gemeente Ede (hierna: de Verordening) voortvloeit dat de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld na afloop van het tijdvak waarover de toeristenbelasting wordt geheven, te weten het kalenderjaar, en dat de bestreden aanslag, nu deze is opgelegd vóór de afloop van dat tijdvak, niet in stand kan blijven.

3.2. Het middel betwist dat de grootte van de belastingschuld pas na afloop van het belastingtijdvak kan worden vastgesteld. Het betoogt dat het aantal mobiele kampeeronderkomens op niet-vaste standplaatsen op grond van vast beleid door de gemeente wordt vastgesteld op basis van twee tellingen, in de maanden juli en augustus. Aldus zou, volgens dat betoog, na de telling in augustus al de grootte van de belastingschuld vaststaan.

3.3. De verordening stelt in artikel 5 als maatstaf van heffing voorop het aantal overnachtingen, en kent in artikel 6 een forfaitaire regeling voor het bepalen van die maatstaf. Een beleid als gesteld komt erop neer dat bij de uitvoering van de verordening niet de in artikel 6 voorgeschreven forfaitaire regeling wordt toegepast - daarvoor zouden immers zes tellingen moeten worden verricht gedurende het belastingjaar, waarbij iedere telling valt binnen een afzonderlijke periode van twee maanden - , maar dat de maatstaf van heffing voor een belastingjaar op andere, niet in de verordening geregelde, wijze schattenderwijs wordt bepaald op basis van twee tellingen. Anders dan bij toepassing van de in de verordening neergelegde forfaitaire regeling het geval zou zijn, hangt de materiële belastingschuld dan dus af van het werkelijke aantal overnachtingen gedurende het belastingjaar, en dat brengt mede dat - ook al kan dat aantal schattenderwijs worden bepaald en kan een dergelijke schatting ook eerder verricht worden - die materiële belastingschuld pas ontstaat bij het einde van het belastingjaar. Nu de onderhavige aanslag over het belastingjaar 1996, waarvan het aanslagbiljet is gedagtekend 31 augustus 1996, is opgelegd vóórdat de grootte van de uit de verordening voortvloeiende materiële belastingschuld kon worden vastgesteld, heeft het Hof die aanslag terecht vernietigd. Het middel faalt derhalve.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2002.