Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4155

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-09-2002
Datum publicatie
10-09-2002
Zaaknummer
00105/02
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE4155
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 415
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 444
NBSTRAF 2002/248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 september 2002

Strafkamer

nr. 00105/02

EW/HdN

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 8 mei 2001, nummer 21/001584-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Nigeria) op [geboortedatum] 1965, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring te Grave.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 20 juli 1999, voorzover aan zijn oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 2. "mensenhandel door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd", 3. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" en 4. "het medeplegen van voorbereiding van het misdrijf mensenhandel door twee of meer verenigde personen, terwijl de dader opzettelijk voorwerpen, gelden en ruimten, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad" veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak, is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt erover dat het Hof het verzoek van de raadsman om een tweetal tolken in aanwezigheid van de verdachte als getuige ter terechtzitting te horen in het verkorte arrest ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft afgewezen. Het middel heeft gelet op de toelichting kennelijk betrekking op een nader te noemen bij pleidooi gedaan verzoek. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht om getuigen te ondervragen, is geschonden doordat de twee tolken die in het opsporingsonderzoek zorg hadden gedragen voor de vertaling van afgeluisterde telefoongesprekken nimmer in tegenwoordigheid van de verdachte zijn gehoord.

3.2.1. Op grond van de gedingstukken kan in cassatie van het volgende worden uitgegaan.

Ter terechtzitting van 16 december 1999 heeft het Hof op het voorafgaand aan die terechtzitting gedane verzoek van de verdediging onder anderen de in het middel bedoelde tolken als getuige te horen, met instemming van de verdediging beslist de zaak te verwijzen naar de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de Arrondissementsrechtbank te Zutphen, teneinde de opgegeven tolken als getuige te horen. De raadsman heeft de Rechter-Commissaris verzocht om de verdachte in de gelegenheid te stellen bij de verhoren aanwezig te zijn. De Rechter-Commissaris heeft dit verzoek afgewezen, doch de raadsman aangeboden te bevorderen dat deze tijdens het horen van de getuigen telefonisch overleg kon voeren met de verdachte. De beide tolken zijn vervolgens door de Rechter-Commissaris in tegenwoordigheid van de raadsman gehoord, waarbij de raadsman gebruik heeft gemaakt van de hem geboden gelegenheid aan de tolken vragen te stellen.

Voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep van 23 januari 2001 heeft de raadsman verzocht de beide tolken ter terechtzitting als getuige op te roepen, aan welk verzoek door de Advocaat-Generaal bij het Hof geen gehoor is gegeven. Het ter zitting toegelichte en tot de tolk [betrokkene 1] beperkte verzoek is door het Hof afgewezen.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 27 maart 2001 heeft de raadsman aan de hand van een pleitnota het woord gevoerd. Daarbij deed de raadsman het verzoek de tolk [betrokkene 1] als getuige te horen voor het geval het Hof de aan de verdachte tenlastegelegde feiten bewezen zou verklaren.

Het Hof heeft op 10 april 2001 een tussenarrest gewezen teneinde een getuige te horen. Ter terechtzitting in hoger beroep van 24 april 2001 heeft de raadsman gepersisteerd bij zijn pleitnota, die aan het proces-verbaal van de terechtzitting van 27 maart 2001 is gehecht.

3.2.2. Deze pleitnota houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, met betrekking tot het in het middel bedoelde verzoek het volgende in:

"Tolken

(...)

De door deze tolken vertaalde telefoongesprekken vormen bij gebreke van belastende verklaringen, het dragende bewijs in het vonnis van de Rechtbank in Zutphen.

(...)

Door mij is verzocht om het horen van beide tolken als getuige aan uw Hof op 16 december 1999 welk verzoek is toegewezen. In mijn brief van 24 augustus 2000 heb ik de RC verzocht om de getuigen te horen in aanwezigheid van [verdachte]. (...) Essentieel is het gebruik van bepaalde woorden en de vertaling daarvan. De deskundigheid van de tolken staat hierbij ter discussie mede gelet op vastgestelde verschillen in meerdere vertalingen van een aantal telefoongesprekken.

De RC wees mijn verzoek om praktische redenen af in zijn brief van 28 augustus 2000. De aanwezigheid van [verdachte] achtte de RC in dit geval onnodig en ongewenst. Wel was de RC bereid mij in de gelegenheid te stellen tijdens de verhoren te overleggen met [verdachte]. Deze situatie heeft zich echter niet voorgedaan. Overleg met cliënt gedurende het verhoor van de getuige is niet mogelijk gebleken.

Op deze wijze is in onvoldoende mate recht gedaan aan het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht om de getuige te ondervragen door en in aanwezigheid van de verdachte. (...) Uit de verhoren van de tolken bij de RC is reeds gebleken dat er essentiële verschillen zijn vastgesteld bij het opnieuw vertalen van een aantal telefoongesprekken. Tevens is mij gebleken dat de beide tolken onvoldoende de Nederlandse taal machtig zijn om betrouwbare vertalingen te maken. Uit de brief van de RC aan de AG van 22 januari kan volgen dat hij mijn mening niet deelt. Juist dan in onderling verband en samenhang met het gestelde belang van vertaalde telefoongesprekken is het van groot belang en een zelfstandig verdedigingsbelang dat uw Hof zelf moet kunnen beoordelen in hoeverre de tolken de Nederlandse taal beheersen om adequaat te vertalen. (...)

Bovendien is de indruk van de verdediging dat de beheersing van de Nederlandse taal door de tolken niet voldoende is hetgeen van invloed kan zijn geweest op de kwaliteit van de vertaalde telefoongesprekken. Om deze reden moet uiterst zorgvuldig worden omgegaan met de waarde die aan de vertaalde telefoongesprekken kan worden toegekend voor het bewijs en dienen deze vertaalde gesprekken zonder dat de getuigen ter zitting worden gehoord in aanwezigheid van [verdachte] te worden uitgesloten voor het bewijs gelet op de onbetrouwbaarheid."

3.2.3. Het verkorte arrest houdt het volgende in als beslissing op het vorenweergegeven verzoek:

"De zaak is op 16 december 1999 met instemming van de verdediging verwezen naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Zutphen, voor het horen van de door de raadsman opgegeven getuigen.

Uit de stukken van het gerechtelijk vooronderzoek blijkt:

(...)

2. dat beide tolken in aanwezigheid van de raadsman zijn gehoord, waarbij de raadsman in de gelegenheid is gesteld vragen aan de tolken te stellen; naar aanleiding van de op schrift gestelde vragen van de raadsman is op 15 januari 2001 door E. Adam, inspecteur van politie in de regio Noord- en Oost Gelderland een aanvullend proces-verbaal opgemaakt. Voorts heeft de rechter-commissaris verslag gedaan ten aanzien van zijn bevindingen met betrekking tot de taalvaardigheid van de tolken.

Het hof acht zich voldoende voorgelicht zodat het verzoek tot het horen van de tolk [betrokkene 1], zoals door de raadsman ter terechtzitting verzocht, wordt afgewezen."

3.3.1. Aan het verzoek is kort gezegd ten grondslag gelegd dat er een zelfstandig verdedigingsbelang mee gemoeid is dat het Hof zich zelf een oordeel kan vormen of de tolken de Nederlandse taal voldoende beheersen om adequaat te kunnen vertalen.

Vervolgens heeft de raadsman, samengevat, aangevoerd dat de tolken de Nederlandse taal niet zodanig beheersten dat zij betrouwbare vertalingen hebben kunnen maken van afgeluisterde in de Edo- of Ibo-taal gevoerde telefoongesprekken, zulks onder vermelding van enkele gevallen waarin de tolk [betrokkene 1] onjuist zou hebben vertaald, en dat daarom de vertaalde inhoud van deze gesprekken niet zonder het horen van de tolk ter terechtzitting in aanwezigheid van de verdachte voor het bewijs kan worden gebezigd.

3.3.2. De onder 3.2.3 weergegeven overwegingen van het Hof moeten aldus worden verstaan dat het Hof - dat het verzoek kennelijk, en gelet op het onder 3.2.1 en 3.3.1 overwogene niet onbegrijpelijk, heeft opgevat als te zijn beperkt tot de tolk [betrokkene 1] - daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat het de oproeping van de getuige [betrokkene 1] ter terechtzitting niet noodzakelijk achtte. Aldus heeft het Hof de juiste maatstaf toegepast.

Dat oordeel van het Hof is voorts, in aanmerking genomen hetgeen de raadsman aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd en de omstandigheid dat het verzoek niet inhoudt op welke specifieke punten aangaande de kennis en kundigheid van de tolk [betrokkene 1] en zijn vertaling van bepaalde telefoongesprekken nader opheldering diende te worden verschaft,en in het licht van de stukken van het geding, waaronder het door Hof genoemde verslag van bevindingen van de Rechter-Commissaris en het aanvullend proces-verbaal van de inspecteur van politie E. Adam, niet onbegrijpelijk. Het behoefde ook geen nadere motivering.

Van schending van art. 6 EVRM is hier evenmin sprake, in aanmerking genomen dat de raadsman de tolk [betrokkene 1] ter gelegenheid van zijn verhoor door de Rechter-Commissaris vragen heeft kunnen stellen.

3.4. Het middel faalt dus.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 10 september 2002.