Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4041

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-09-2002
Datum publicatie
27-09-2002
Zaaknummer
R01/118HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE4041
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 429n
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 429k
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 486
NJ 2004, 100
FJR 2003, 6 met annotatie van P. Dorhout, I.J. Pieters
JWB 2002/334
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 september 2002

Eerste Kamer

Rek.nr. R01/118HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw], wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

[De man], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 6 september 1999 ter griffie van de Rechtbank te Groningen ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en de uit de relatie van hem en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - geboren minderjarigen: [kind 1], geboren op 31 juli 1993, en [kind 2], geboren op 20 februari 1998, zoals in het petitum van het verzoekschrift omschreven.

De vrouw heeft het verzoek bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 21 december 1999, totdat nader wordt beslist, als omgangsregeling vastgesteld dat de man gerechtigd is de minderjarigen één zaterdag per veertien dagen van 10.00 tot 18.00 uur bij zich te ontvangen te beginnen op 1 januari 2000. Voorts heeft de Rechtbank de beslissing met betrekking tot de vaststelling van een definitieve omgangsregeling aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming te Groningen (hierna: de raad) verzocht een onderzoek dienaangaande in te stellen en daarvan uiterlijk 1 mei 2000 aan de Rechtbank rapport en advies uit te brengen.

Op het door de vrouw tegen deze beschikking ingestelde hoger beroep heeft het Gerechtshof te Leeuwarden bij beschikking van 10 mei 2000 de beschikking waarvan beroep ten aanzien van de daarbij vastgestelde omgangsregeling vernietigd en, in zoverre opnieuw beslissende, totdat door de Rechtbank nader wordt beslist, als omgangsregeling vastgesteld dat de man gerechtigd is de minderjarigen één woensdagmiddag per maand onder toezicht en begeleiding van de raad te ontmoeten op een door de Raad te bepalen vestiging van de Raad. Voorts heeft het Hof bepaald dat de uitkomsten van voormelde contacten betrokken dienen te worden in het door de Rechtbank bevolen onderzoek en het aan haar uit te brengen rapport en advies.

Nadat de raad op 8 augustus 2000 rapport had uitgebracht, heeft de Rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 30 januari 2001 de beslissing omtrent een definitief vast te stellen omgangsregeling tussen de man en de minderjarige kinderen aangehouden en de raad verzocht een drietal begeleide proefcontacten te doen plaatsvinden op een woensdagmiddag in de maanden februari, maart en april en uiterlijk 1 juni 2001 aan de Rechtbank rapport en advies uit te brengen.

Tegen de beschikking van 30 januari 2001 heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.

Bij beschikking van 8 augustus 2001 heeft het Hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep.

De laatstvermelde beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen laatstvermelde beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak, waarin door de man een verzoek tot het treffen van een omgangsregeling is gedaan, om de vraag of de beschikking van de Rechtbank van 30 januari 2001 kan worden aangemerkt als een voor hoger beroep vatbare deelbeschikking. De Rechtbank heeft als volgt beslist: "houdt de beslissing omtrent een definitief vast te stellen omgangsregeling tussen de man en de minderjarige kinderen aan en verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Groningen, een drietal begeleide proefcontacten te doen plaatsvinden op een woensdagmiddag in de maanden februari, maart en april en uiterlijk 1 juni 2001 aan de rechtbank rapport en advies uit te brengen. Nadat voormeld rapport bij de rechtbank is ingediend zal de griffier van deze rechtbank dag en uur voor een zitting bepalen; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad." Aan de voet van de beschikking is vermeld: "De griffier deelt mede, dat partijen tegen deze beschikking in hoger beroep kunnen gaan bij het gerechtshof te Leeuwarden (...)."

3.2 Het Hof heeft de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep, welke beslissing het heeft doen steunen op de volgende, kort weergegeven, overwegingen. De instructie van de Rechtbank aan de raad dient aldus verstaan te worden dat de raad omtrent de - definitief - vast te stellen omgangsregeling dient te rapporteren en te adviseren en dat hierin (de uitkomsten van) de proefcontacten dienen te worden betrokken. Deze proefcontacten maken derhalve deel uit van de aan de raad gegeven opdracht rapport en advies uit te brengen, van welke rapportage en advies de beslissing omtrent de - definitieve - omgangsregeling afhankelijk kan zijn. Naar 's Hofs oordeel heeft de Rechtbank in de beroepen beschikking een interlocutoire beslissing gegeven en niet (mede) een deelbeslissing waarin voor bepaalde tijd een voorlopige omgangsregeling wordt vastgesteld. De beschikking waarvan beroep maakt derhalve in het dictum niet een (gedeeltelijk) einde aan het geding tussen partijen betreffende de omgangsregeling. De beroepen beschikking is mitsdien een tussenbeschikking. Voorts heeft het Hof overwogen dat de door de griffier van de Rechtbank onder de beschikking geplaatste mededeling dat tegen de beschikking hoger beroep kan worden ingesteld, niet kan worden aangemerkt als een zodanige beslissing van de rechter.

3.3 Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel van het Hof dat de beschikking van de Rechtbank een tussenbeschikking is waartegen ingevolge art. 429n lid 3 (oud) Rv. afzonderlijk hoger beroep niet is toegestaan. Het voert daartoe aan dat de proefcontacten waartoe de Rechtbank heeft beslist een onherroepelijk karakter hebben in die zin dat de beschikking, eenmaal geëffectueerd, in haar gevolgen niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Het onderdeel wijst erop dat de beslissing door de Rechtbank uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, hetgeen, gezien art. 429k lid 3 (oud) Rv. slechts mogelijk is bij eindbeschikkingen.

Het onderdeel faalt. Het Hof heeft onderzocht of de beslissing van de Rechtbank al dan niet een (gedeeltelijke) eindbeslissing inhield met betrekking tot de verzochte omgangsregeling. Het oordeel van het Hof dat de (uitkomsten van de) door de Rechtbank opgedragen begeleide proefcontacten deel uitmaken van het door de raad uit te voeren onderzoek en dat de Rechtbank dan ook slechts een interlocutoire beslissing heeft gegeven, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Berustend op de aan het Hof voorbehouden uitleg van de beschikking van de Rechtbank, kan het oordeel in cassatie voor het overige niet op juistheid worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. De omstandigheid dat de Rechtbank haar beschikking uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, doet hieraan niet af. Het Hof diende immers de ontvankelijkheid van de vrouw in haar hoger beroep zelfstandig te onderzoeken.

3.4 Onderdeel 2 keert zich tegen het oordeel van het Hof dat de door de griffier van de Rechtbank onder de beschikking geplaatste mededeling dat tegen de beschikking hoger beroep kan worden ingesteld, niet kan worden aangemerkt als een zodanige beslissing van de rechter. Het onderdeel betoogt dat bij een door de griffier op een beschikking gestelde mededeling als hier aan de orde, procespartijen ervan uit dienen te (mogen) gaan dat een en ander de weergave is van een beslissing door de rechter als bedoeld in art. 429n lid 3 (oud) Rv.

Ook dit onderdeel faalt. 's Hofs bestreden oordeel is juist. Een mededeling van de griffier als de onderhavige op een beschikking kan niet de wettelijke regeling van het hoger beroep opzijzetten (vgl. HR 4 oktober 1996, nr. 8793, NJ 1997, 63). Partijen mogen voorts niet ervan uitgaan dat aan een zodanige mededeling van de griffier een beslissing van de rechter ten grondslag ligt.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 27 september 2002.