Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4040

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
12-07-2002
Zaaknummer
R01/122HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE4040
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2002-07-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 405
JWB 2002/272

Uitspraak

12 juli 2002

Eerste Kamer

Rek.nr. R01/122HR

WS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

[De vrouw], wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 14 augustus 2000 ter griffie van de Rechtbank te Almelo ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 16 september 1997 te wijzigen en de door hem aan verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud op nihil te stellen dan wel te verlagen.

De vrouw heeft het verzoek bestreden.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 26 januari 2001 voormelde beschikking van het Hof in die zin gewijzigd dat de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 14 augustus 2000 wordt bepaald op ƒ 680,-- per maand, deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders verzochte afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Daarbij heeft zij het Hof verzocht de laatstvermelde beschikking van de Rechtbank te vernietigen en te bepalen dat de man gehouden is alsnog te voldoen aan zijn betalingsverplichting conform de door het Hof op 16 september 1997 gegeven beschikking, subsidiair de door de man aan haar te betalen bijdrage met ingang van 14 augustus 2000 te bepalen op ƒ 1.500,-- per maand. Voorts heeft zij daarbij verzocht de man te veroordelen tot betaling, en wel binnen een week na de te dezen te geven beschikking, aan haar van hetgeen hij op basis van de bestreden beschikking van de Rechtbank heeft verrekend of van haar heeft terugontvangen en de beschikking te dezen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Bij op 8 mei 2001 per fax ter griffie van het Hof ingekomen verweerschrift heeft de man het verzoek van de vrouw in hoger beroep bestreden. Hij heeft het Hof primair verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking van de Rechtbank te bekrachtigen, dan wel een lagere door hem maandelijks te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen dan door de Rechtbank is gedaan, en subsidiair om de vrouw te gelasten haar actuele financiële situatie inzichtelijk te maken opdat een draagkrachtvergelijking kan worden gemaakt, op basis waarvan een eventuele door hem te betalen bijdrage in haar kosten van levensonderhoud kan worden bepaald.

Bij beschikking van 14 augustus 2001 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank te Almelo vernietigd en opnieuw beschikkende het verzoek van de man tot nihilstelling dan wel wijziging van de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, alsmede het meer of anders verzochte, afgewezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend verzoekschrift tot cassatie zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de man heeft bij brief van 7 juni 2002 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 juli 2002.