Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE4037

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2002
Datum publicatie
12-07-2002
Zaaknummer
R02/013HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE4037
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 410
NJ 2002, 541
JWB 2002/268
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juli 2002

Eerste Kamer

Rek.nr. R02/013HR

MD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw], wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

[De man], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E.D. Vermeulen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 6 oktober 2000 ter griffie van de Rechtbank te Arnhem ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht tussen hem en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - echtscheiding uit te spreken en te bepalen dat partijen overgaan tot verdeling van de tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap.

De vrouw heeft het verzoek bestreden en heeft subsidiair harerzijds verzocht een bijdrage voor haar levensonderhoud vast te stellen en voorts te bepalen dat zij bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. De man heeft op zijn beurt het verzoek van de vrouw tot vaststelling van die bijdrage bestreden.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 10 mei 2001 tussen partijen echtscheiding uitgesproken, met bevel tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en met bepaling omtrent de echtelijke woning ten behoeve van de vrouw, en voorts met aanhouding van de beslissing met betrekking tot de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. De man heeft daartegen verweer gevoerd en heeft voorts, ruim twee maanden later, in een brief met bijlagen zijnerzijds enkele verzoeken bij het Hof ingediend.

Bij beschikking van 4 december 2001 heeft het Hof de man in deze verzoeken niet-ontvankelijk verklaard en voorts de beschikking waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigd.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft een verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst J.K. Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat hier om een door de Rechtbank en het Hof tussen partijen uitgesproken echtscheiding met bevel tot verdeling van de tussen hen bestaande huwelijksgoederengemeenschap. Het Hof heeft de op verzoek van de man door de Rechtbank uitgesproken echtscheiding bekrachtigd en heeft dit als volgt gemotiveerd:

"Gelet op het feit dat partijen al ruim twee jaar gescheiden leven en dat de man de samenleving en de relatie met de vrouw niet wenst te hervatten, neemt het hof als vaststaand aan dat het huwelijk van partijen duurzaam ontwricht is, zodat de bestreden beschikking in zoverre dient te worden bekrachtigd".

3.2 Het hiertegen door de vrouw gerichte cassatiemiddel bevat, kort samengevat, de volgende klachten:

a. Het feit dat partijen al ruim twee jaar gescheiden leven en dat de man de samenleving en de relatie met de vrouw niet wenst te hervatten, vormt geen rechtsgeldige of deugdelijke grond voor een echtscheiding, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat het onderhavige huwelijk ruim dertig jaar heeft geduurd en dat de mogelijkheid van verzoening hier onvoldoende is onderzocht.

b. In aanmerking genomen dat de verplichting tot samenwoning, zoals die was neergelegd in art. 1:83 BW, ingevolge de Wet van 31 mei 2001, Stb. 275, geen gelding meer heeft, had de wens van de man tot beëindiging van de samenwoning geen grond voor echtscheiding mogen opleveren en had het huwelijk van partijen ondanks een feitelijk beëindigde samenwoning in stand behoren te worden gelaten.

c. De vrouw beschouwt het gegeven ja-woord als een verbondenheid voor het leven en stelt zich, hiervan uitgaande, op het standpunt dat, voor zover een dergelijke verbondenheid al een einde kan worden gemaakt, de partij die daartoe het initiatief neemt, tegelijkertijd een voorstel behoort te doen, waarbij alle gevolgen van de echtscheiding worden geregeld, hetgeen de man echter heeft nagelaten.

d. Omdat de geloofsovertuiging van beide partijen zich tegen een echtscheiding verzet, is hun huwelijk in beginsel onontbindbaar, zodat ook om die reden geen echtscheiding had mogen worden uitgesproken.

3.3 De in 3.2 onder a omschreven klacht stuit, voor zover zij als rechtsklacht is bedoeld, geheel af op vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. bijvoorbeeld het arrest van HR 1 februari 1980, nr. 11564, NJ 1980, 318) en is voor het overige gericht tegen een feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel van het Hof, zodat zij ook in zoverre faalt. De onder b omschreven klacht kan hieraan niet afdoen aangezien de vraag of een huwelijk duurzaam is ontwricht een grotendeels feitelijk karakter heeft. De onder c omschreven klacht vindt, mede gezien hetgeen omtrent de klacht onder a werd overwogen, geen steun in het recht. En wat ten slotte de onder d omschreven klacht betreft: nu de wet het huwelijk alleen in zijn burgelijke betrekkingen beschouwt (art. 1:30 lid 2 BW) en nu voorts, ook afgezien daarvan, een geloofsovertuiging niet maatgevend kan zijn voor het in de Nederlandse samenleving als geheel geldende recht met betrekking tot de mogelijkheid van ontbinding van een huwelijk, behoort deze klacht eveneens te worden verworpen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 juli 2002.