Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE3758

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-06-2002
Datum publicatie
07-06-2002
Zaaknummer
C00/223HR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2002/133
JOL 2002, 323
JWB 2002/212

Uitspraak

7 juni 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/223HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

Mr. Antonie VAN HEES, in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR IREVO HOLDING, ADVIDEO BENELUX B.V., ADDISTRI NEDERLAND B.V., ADSALES NEDERLAND B.V., ADTRADE B.V. en VIDFILMS B.V., kantoorhoudende te Amsterdam,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E.D. Vermeulen,

t e g e n

1. MEESPIERSON N.V., gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. C.J.J.C. van Nispen,

e n

2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerders in cassatie - verder afzonderlijk te noemen: MeesPierson en [verweerder 2] - hebben bij exploit van 24 november 1997 eiser tot cassatie - verder te noemen: de curator - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de curator te veroordelen:

1. om binnen 48 uur na de betekening van het te dezen te wijzen vonnis, althans binnen een in redelijkheid te bepalen termijn, onvoorwaardelijk aan de notaris mr. A.A. van Velten te Amsterdam mede te delen dat het aan deze toegestaan zal zijn om het bedrag ad ƒ 158.000,-- met de daarover gekweekte renten te betalen aan MeesPierson, dit op straffe van een dwangsom van ƒ 10.000,-- per dag of gedeelte van een dag dat de curator in gebreke zal blijven om aan de op te leggen veroordeling te voldoen, dit echter met een maximum van ƒ 150.000,--;

2. tot het betalen van schadevergoeding aan [verweerder 2], op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

De curator heeft de vorderingen bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 25 februari 1998 een comparitie van partijen gelast.

Bij conclusie van repliek heeft [verweerder 2] zijn onder sub 2 ingestelde eis gewijzigd en gevorderd dat de curator wordt veroordeeld tot de betaling van 6,5% rente per jaar over het bedrag van ƒ 158.000,-- met ingang van 5 augustus 1997 tot en met de dag van de vrijgave van het notariële depot, minus het rentebedrag dat door voornoemde notaris blijkens diens verklaring over het depot gekweekt zal zijn.

Bij vonnis van 22 september 1999 heeft de Rechtbank de curator veroordeeld om binnen acht dagen na de betekening van dit vonnis aan voornoemde notaris mede te delen dat het hem toegestaan zal zijn om het bedrag van ƒ 158.000,-- met de daarover gekweekte renten te betalen aan MeesPierson, op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 150.000,--. Voorts heeft de Rechtbank [verweerder 2] tot bewijslevering toegelaten, de zaak daartoe naar de rol verwezen, en iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen laatstvermeld vonnis heeft de curator hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 16 maart 2000 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd, de zaak naar de Rechtbank te Amsterdam verwezen om op de hoofdzaak verder te worden beslist, en verklaard dat het beroep in cassatie van deze uitspraak niet dan tegelijk met een eventueel eindarrest zal kunnen worden ingesteld.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de curator beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

MeesPierson heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en tegen de niet verschenen [verweerder 2] is verstek verleend.

De zaak is voor de curator namens zijn advocaat toegelicht door mr. W.H. van Hemel, advocaat te Amsterdam, en voor MeesPierson is de zaak toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

Bij brief van 2 april 2002 heeft mr. W.H. van Hemel, advocaat te Amsterdam, namens de curator op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) [Verweerder 2] is op 29 juni 1978 lid geworden van de Coöperatieve Flatexploitatievereniging [A] te [...] (verder te noemen de vereniging).

(ii) De statuten van de vereniging bevatten onder meer de volgende bepalingen:

"Artikel 4.

1. Het lidmaatschap omvat het uitsluitend gebruiksrecht van een in de installatie-akte aan te duiden flat (...) alsmede alle overige rechten en verplichtingen welke uit deze statuten en een eventueel huishoudelijk reglement blijken.

4. Een lidmaatschap kan door vererving overgaan en is vatbaar voor vervreemding met inachtneming van het in deze statuten bepaalde.

(...)

Artikel 6.

1. De leden zijn bevoegd hun lidmaatschap te vervreemden na daartoe verkregen toestemming van de secretaris-penningmeester der vereniging.

(...)

6. Bij overdracht van het lidmaatschap met betrekking tot een flat, houdt het lidmaatschap met betrekking tot die flat op te bestaan door de installatie als lid van degene, aan wie de overdracht is geschied.

(...)

8. De overdracht van het lidmaatschap casu quo de installatie van het nieuwe lid geschiedt bij notariële akte, waarin dient te worden opgenomen de verklaring, dat het nieuwe lid zich onderwerpt aan de bepalingen der statuten en een eventueel huishoudelijk reglement."

(iii) Op 17 juli 1978 hebben (de rechtsvoorgangster van) MeesPierson en [verweerder 2] een onderhandse akte opgemaakt en ondertekend, inhoudende in artikel 1 dat [verweerder 2] tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen hij aan MeesPierson uit welken hoofde ook schuldig is of zal zijn, aan MeesPierson zijn vorderingen op de vereniging "uit hoofde van zijn lidmaatschapsrechten, als hierboven in de considerans omschreven" cedeert en in de considerans dat [verweerder 2] in het bezit is van "de lidmaatschapsrechten" van de vereniging, welke recht geven op het uitsluitend gebruik van de flat gelegen aan de [b-straat 1] te [...].

(iv) In maart 1994 heeft de curator ten laste van [verweerder 2] conservatoir beslag doen leggen op het lidmaatschap.

(v) Op 12 mei 1997 heeft [verweerder 2] zijn lidmaatschap verkocht aan een derde tegen een koopsom van ƒ 158.000,--, welke koopsom volgens [verweerder 2] en MeesPierson ingevolge de zekerheidsakte aan MeesPierson ten goede diende te komen. In juni 1997 heeft [verweerder 2] de curator verzocht het door deze gelegde conservatoire beslag op te heffen. Na kennisneming van de statuten van de vereniging heeft de curator zich op het standpunt gesteld dat de zekerheidsakte niet het daarmee beoogde rechtsgevolg heeft (gehad). Om deze reden heeft de curator als voorwaarde voor opheffing van het beslag gesteld dat de koopsom onder de notaris zou blijven, met welke voorwaarde [verweerder 2] - noodgedwongen - heeft ingestemd.

(vi) Op 5 augustus 1997 is het lidmaatschap aan de koper overgedragen ten overstaan van notaris A.A. van Velten te Amsterdam, onder wie de koopsom is gebleven.

3.2 Stellende dat [verweerder 2] zijn lidmaatschapsrecht rechtsgeldig fiduciair heeft overgedragen aan MeesPierson, hebben [verweerder 2] en MeesPierson tegen de curator de hiervoor onder 1 omschreven vorderingen, strekkende tot het doen van een mededeling aan de notaris dat het aan hem toegestaan zal zijn om het onder hem berustende bedrag met de daarover gekweekte rente aan MeesPierson te betalen, en tot het betalen van schadevergoeding aan [verweerder 2], ingesteld. De Rechtbank heeft bij vonnis van 22 september 1999 de curator veroordeeld tot het doen van bedoelde mededeling en [verweerder 2] in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren. Het Hof heeft het vonnis bekrachtigd en de zaak naar de Rechtbank verwezen om op de hoofdzaak verder te worden beslist.

3.3 Onderdeel 2 (onderdeel 1 bevat geen klacht) richt zich tegen rov. 4.4 van het bestreden arrest in verbinding met rov. 4.2, met de klacht dat daarin een onbegrijpelijke tegenstrijdigheid ligt waardoor het arrest onvoldoende is gemotiveerd.

3.4 In rov. 4.2 wordt de eerste grief van de curator, gericht tegen de vaststelling van de Rechtbank (rov. 1 onder b) dat volgens de onderhandse akte "[verweerder 2] zijn lidmaatschap fiduciair overdroeg", behandeld. Het Hof overweegt dat de curator terecht betoogt dat door de hiervoor in 3.1 onder (iii) vermelde "fiduciaire akte - naar uit de inhoud van die akte blijkt - niet het lidmaatschapschapsrecht door [verweerder 2] aan MeesPierson is overgedragen, doch de vorderingen die [verweerder 2] uit hoofde van het lidmaatschapsrecht op die vereniging had gekregen en nog zou krijgen" en dat het vonnis van de Rechtbank in zoverre verbeterd wordt.

Rov. 4.3 bevat een weergave van het door de curator gevoerde verweer dat de fiduciaire cessie (absoluut) ongeldig is omdat [verweerder 2] in strijd met de statuten geen toestemming van de vereniging had gevraagd of verkregen en deze cessie niet bij notariële akte was geschied.

In rov. 4.4 overweegt het Hof met betrekking tot dit verweer:

"Artikel 6 leden 1, 6 en 8 in verband met artikel 4 lid 4 van de statuten staan, naar de curator op zichzelf terecht betoogt, aan een vrije overdracht ("vervreemding") van het lidmaatschapsrecht in de weg. Uit de tekst van die artikelen volgt evenwel niet dat - behalve vervreemding aan een derde als nieuw lid - daaronder ook moet worden begrepen een verbod of beperking om zonder toestemming van de vereniging (de rechten uit) het lidmaatschapsrecht te bezwaren met een beperkt recht of tot zekerheid over te dragen. Dit brengt tevens mee dat voor de fiduciaire cessie aan MeesPierson destijds kon worden volstaan met, als gebruikelijk, een onderhandse akte tussen kredietverlener en kredietnemer. (...) De curator heeft (...) terecht gesteld dat het lidmaatschapsrecht als zodanig steeds bij [verweerder 2] is gebleven (...)."

3.5 Het onderdeel betoogt dat onbegrijpelijk is dat het Hof in rov. 4.2 oordeelt dat [verweerder 2] zijn lidmaatschapsrecht niet fiduciair heeft overgedragen en in rov. 4.4 uitgaat van een fiduciaire overdracht van het lidmaatschapsrecht. Dit betoog berust op een onjuiste lezing van deze overwegingen. Het oordeel van het Hof houdt immers in dat [verweerder 2] lid is gebleven van de vereniging, hetgeen betekent dat de lidmaatschapsverhouding is blijven bestaan en [verweerder 2] in zoverre zijn lidmaatschap (door het Hof aangeduid met lidmaatschapsrecht) heeft behouden, doch dat hij de daaruit voortvloeiende rechten (vorderingen) tot zekerheid heeft overgedragen. Van enige tegenstrijdigheid als in het onderdeel bedoeld is dan ook geen sprake. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden.

3.6 Onderdeel 3.1 bevat de rechtsklacht dat het Hof in rov. 4.4 heeft miskend dat als uitgangspunt heeft te gelden dat een statutaire beperking van de beschikkingsbevoegdheid ten aanzien van de overdracht van een lidmaatschapsrecht in gelijke mate geldt voor de (vroegere) fiduciaire overdracht daarvan. Indien het Hof dit uitgangspunt niet zou hebben miskend is, aldus het onderdeel, onbegrijpelijk dat het Hof aan het begrip "vervreemding" in de statuten een zo beperkte uitleg geeft.

3.7 De rechtsklacht van het onderdeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. De uitleg van de statuten van een vereniging is van feitelijke aard. Rechterlijke oordelen over de uitleg van statuten kunnen daarom in cassatie in beginsel slechts op begrijpelijkheid en motivering worden getoetst. Nu de door het Hof aan de statuten gegeven uitleg niet onbegrijpelijk is en evenmin ontoereikend is gemotiveerd, faalt ook de motiveringsklacht.

3.8 De onderdelen 3.2 en 4 bouwen voort op onderdeel 3.1 en delen het lot daarvan.

3.9 Onderdeel 5 richt zich tegen een overweging ten overvloede en kan reeds daarom niet tot cassatie leiden.

3.10 Ook de in de overige onderdelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van MeesPierson begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris en aan de zijde van [verweerder 2] op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 juni 2002.