Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE3728

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-07-2002
Datum publicatie
13-11-2002
Zaaknummer
02143/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE3728
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2001:AF0620
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 536

Uitspraak

2 juli 2002

Strafkamer

nr. 02143/01

KD/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 januari 2001, nummer 20/002787-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats 1] (België), en/of te [woonplaats 2], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Torentijd" te Middelburg.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 11 november 1999 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair, 3 primair en 4 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1 subsidiair "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", 2. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A, van de Opiumwet gegeven verbod", 3 subsidiair "medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en 5. "als bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraken - is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr. T.N.B.M. Spronken, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie is, voorzover voor de bespreking van de middelen van belang, aan dit arrest gehecht.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal. Dat commentaar houdt onder meer in dat het eerste middel als ingetrokken moet worden beschouwd.

3. Beoordeling van het derde middel

3.1. Het middel klaagt in de eerste plaats over de beslissing van het Hof op het beroep tegen een in eerste aanleg toegelaten wijziging van de tenlastelegging. Voorts klaagt het middel dat het Hof voor wat feit 5 betreft niet heeft beslist naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting.

3.2. Voor wat de beoordeling van het middel betreft is het volgende van belang:

(i) De tenlastelegging van feit 5 is, nadat de Rechtbank op 7 december 1998 een op de voet van art. 314a Sv gevorderde nadere omschrijving had toegelaten, als volgt komen te luiden:

"dat hij, in of omstreeks de periode van 15 november 1997 tot en met 27 maart 1998 te Rotterdam en/of te Amsterdam en/of te Tilburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen (te weten [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5], althans één of meer personen), althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie welke tot oogmerk had het plegen van het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van grote partijen (meerdere kilo's) heroïne en/of de verkoop en/of de aflevering en/of de verstrekking en/of het vervoeren van heroïne en/of het plegen van strafbare voorbereidingen van die feiten (strafbaar gesteld in de artikelen 2 juncto 10 en 10a van de Opiumwet), althans van het plegen van strafbare feiten, van welke organisatie verdachte (feitelijk) (mede-)oprichter en/of (feitelijk) (mede-)bestuurder was"

(ii) Ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 oktober 1999 heeft de Officier van Justitie op de voet van

art. 313, eerste lid, Sv een vordering gedaan tot wijziging van die tenlastelegging. Die vordering luidde als volgt:

"vordert dat wijziging van die telastelegging zal worden toegelaten, in die zin dat de periode van het in de vordering van 7 december als feit V opgevoerde strafbare feit (140 WvSr) zal worden gewijzigd

van: "10 (de Hoge Raad leest: 15) november 1997 tot en met 27 maart 1998"

in: "1 maart 1993 tot en met 27 maart 1998."

(iii) Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank van 28 oktober 1999 houdt dienaangaande in:

"De rechtbank wijst, gehoord de verdachte en zijn raadsman, de vordering toe en stelt vast dat de tenlastelegging in dier voege is gewijzigd dat de periode van het als feit V opgevoerde strafbare feit (140Sr) is gewijzigd van "10 (de Hoge Raad leest: 15) november 1997 tot en met 27 maart 1998" in "1 maart 1993 tot en met 27 maart 1998."

(iv) Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 28 maart 2000 houdt, voorzover hier van belang, in:

"Desgevraagd deelt de raadsman mede - zakelijk weergegeven - dat het juist is dat hij in eerste aanleg geen bezwaren heeft gemaakt tegen de gevorderde wijzigingen tenlastelegging, maar dat hij op grond van het arrest dat in de "Tjoelker-zaak" is gewezen (NJ 2000, 174) tot een ander oordeel is gekomen en dat hij, nu het thans een feitelijke behandeling van de zaak in hoger beroep betreft, van mening is dat hij alsnog bezwaren tegen de gevorderde wijzigingen tenlastelegging naar voren kan brengen.

(...)

Het door de raadsman aangevoerde betreft naar het oordeel van het hof geen preliminair verweer. Het verweer ziet immers niet op de nietigheid van de inleidende dagvaarding, de bevoegdheid van de rechtbank of de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof zal daarom pas bij eindarrest op dit verweer ingaan. Uit efficiency-oogpunt merkt het hof op dat - voor wat betreft het onder 5 tenlastegelegde feit - het onderzoek ter terechtzitting zich zal richten op de periode van 15 november 1997 tot en met 27 maart 1998."

(v) In het bestreden arrest heeft het Hof de door de raadsman opgeworpen bezwaren tegen de door de Rechtbank toegelaten wijziging van de tenlastelegging van feit 5 als volgt samengevat en verworpen:

"Door de raadsman van de verdachte is als bezwaar tegen de wijziging van de tenlastelegging voor wat betreft feit 5 aangevoerd - zakelijk weergegeven -:

Het tijdsbestek van de tenlastegelegde deelname aan een criminele organisatie is uitgebreid van (oorspronkelijk) 10 (de Hoge Raad leest: 15) november 1997 tot en met 27 maart 1998, naar (thans) 1 maart 1993 tot en met 27 maart 1998. Bij de toelating van de gevorderde wijziging is miskend dat hierdoor andere feitelijke gedragingen, en daarmede andere feiten in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht, aan de tenlastelegging ten grondslag zijn gelegd, dan oorspronkelijk het geval was.

Er is in ieder geval geen sprake van "gelijktijdigheid" van de later toegevoegde gedragingen ten opzichte van de oorspronkelijk tenlastegelegde. Er dient zich hier evenmin een omstandigheid voor, op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat er desondanks sprake is van hetzelfde feitencomplex in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht.

De toegestane vordering dient daarom alsnog te worden afgewezen.

Het hof overweegt hieromtrent:

De door de raadsman bestreden wijziging van de tenlastelegging betreft een verruiming van de periode waarin het tenlastegelegde strafbare feit, te weten de deelname aan een criminele organisatie, zou zijn gepleegd.

Het tenlastegelegde feit betreft een voortdurend delict, dat - blijkens de gevorderde wijziging - zich uitstrekt over een langere periode en eerder blijkt te zijn begonnen, maar waarbij sprake is van dezelfde deelnemers aan de organisatie en soortgelijke gedragingen. Naar het oordeel van het hof blijft hier derhalve sprake van "hetzelfde feit" in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en heeft de eerste rechter de gevorderde wijziging dan ook terecht toegelaten."

(vi) Van het onder 5 tenlastegelegde heeft het Hof bewezenverklaard dat "hij in de periode van 1 maart 1993 tot en met 27 maart 1998 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen (te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5]) heeft deelgenomen aan een criminele organisatie welke tot oogmerk had het plegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van grote partijen heroïne en de verkoop en de aflevering en de verstrekking en het vervoer van heroïne en het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen van die feiten (strafbaar gesteld in de artikelen 2 juncto 10 en 10a van de Opiumwet) van welke organisatie verdachte feitelijk medebestuurder was."

3.3. 's Hofs hiervoor onder 3.2 sub (v) weergegeven oordeel dat de gevorderde wijziging van de tenlastelegging toelaatbaar was, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voorzover het middel daartegen opkomt is het dus tevergeefs voorgesteld.

3.4. Uit het voorgaande volgt dat het Hof door bewezen te verklaren dat het tenlastegelegde in de periode van

1 maart 1993 tot en met 27 maart 1998 is begaan de grondslag van de tenlastelegging niet heeft verlaten. Het middel miskent dat een zodanige bewezenverklaring niet betekent dat de verdachte gedurende de gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht. Naar uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat de aan de verdachte verweten deelneming aan de desbetreffende organisatie in feite heeft plaatsgevonden in het laatste gedeelte van bovengenoemde periode, te weten in het tijdvak van 15 november 1997 tot en met 27 maart 1998.

3.5. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

4. Beoordeling van het tweede, het vierde, het vijfde en het zesde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het zevende middel

5.1. Het middel klaagt dat het Hof het in hoger beroep door de raadsman gedane verzoek tot toevoeging aan de processtukken van delen van CID-journaals en diens verzoek tot het beluisteren van de optical disks waarop afgeluisterde telefoongesprekken zijn bewaard, ten onrechte althans op ontoereikende gronden heeft afgewezen.

5.2. Het middel faalt op de in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 40 t/m 53 uiteengezette gronden.

6. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Braber, en uitgesproken op 2 juli 2002.