Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE3587

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-06-2002
Datum publicatie
13-11-2002
Zaaknummer
00091/01 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE3587
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

25 juni 2002

Strafkamer

nr. 00091/01 E

AS/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 1 september 2000, nummer 20/002671-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 30 juni 1999, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte ter zake van sub 1. "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 60, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtspersoon, driemaal gepleegd" en sub 2. "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 60, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtspersoon, tweemaal gepleegd" veroordeeld tot driemaal een geldboete van telkens vijfhonderd gulden en ten aanzien van sub 2. (met betrekking tot de vastgestelde beladingsdichtheid van 283 kg/m²) tot een geldboete van ƒ 250,--. Voorts wordt bepaald dat voor sub 2. (met betrekking tot de vastgestelde beladingdichtheid van 266 kg/m²) geen straf of maatregel wordt opgelegd.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof niet uitdrukkelijk heeft beslist op een in hoger beroep gevoerd verweer met betrekking tot het bewijs.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 augustus 2000 houdt onder meer het volgende in:

"Namens de verdachte (..) is, hoewel de BV behoorlijk is gedagvaard, niemand verschenen.

Als raadsman van de verdachte is (..) ter terechtzitting aanwezig mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg.

De raadsman deelt desgevraagd mede dat de vertegenwoordigers van zijn cliënte op de hoogte zijn dat de zaak tegen de BV heden dient. De raadsman verklaart niet uitdrukkelijk gemachtigd te zijn de verdediging te voeren als bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering.

(..)

De raadsman van de verdachte voert het woord tot verdediging. Hij pleit overeenkomstig de inhoud van een door hem aan het hof overgelegde pleitnota, welke als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd."

3.3. De raadsman die niet ingevolge art. 279, eerste lid, Sv heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd tot het voeren van de verdediging, is op de terechtzitting slechts bevoegd het woord te voeren ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken van aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld. Indien de rechter de raadsman toestaat buiten de bedoelde onderwerpen nog meer aan te voeren, geschiedt dit in strijd met het wettelijk systeem.

Niet uitgesloten is dat op grond van het bepaalde in art. 6 EVRM in uitzonderlijke gevallen anders moet worden geoordeeld (vgl. HR 23 oktober 2001, NJ 2002, 77 en HR 23 april 2002, LJN AD8860).

3.4. Het in het middel bedoelde verweer over de bewijsvoering heeft geen betrekking op de onder 3.3 vermelde onderwerpen waarover de raadsman, ondanks het ontbreken van een uitdrukkelijke machtiging van de verdachte om de verdediging te voeren, toch het woord mag voeren. Dit betekent dat, nu uit de stukken niet kan volgen dat zich een uitzonderlijk geval als bedoeld onder 3.3 voordoet, het Hof de raadsman in strijd met het wettelijk systeem in de gelegenheid heeft gesteld meer aan te voeren dan hiervoor onder 3.3 is vermeld, zodat het verweer geen behandeling behoefde.

3.5. Het middel moet dus buiten bespreking blijven.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 25 juni 2002.