Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE3561

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
00482/02 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE3561
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Uitleveringswet 20
Uitleveringswet 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 583
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 december 2002

Strafkamer

nr. 00482/02 U

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 29 januari 2002, nummer CU 2001.117.14, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Colombia) op [geboortedatum] 1967, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De procesgang

1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 25 juni 2002, waarvan een afschrift aan dit arrest is gehecht. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad een uitspraak van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 29 januari 2002 vernietigd. Voorts heeft de Hoge Raad bij dat arrest bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 3 september 2002 om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.

1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 3 september 2002 is de opgeëiste persoon niet verschenen en is de behandeling van het uitleveringsverzoek aangehouden tot de zitting van 10 december 2002, waarbij de Hoge Raad heeft bevolen dat de opgeëiste persoon tegen laatstgenoemde zitting zal worden opgeroepen en waarbij tevens zijn medebrenging is gelast.

1.3. Ter zitting van 10 december 2002 is noch de opgeëiste persoon noch een raadsman verschenen. Op die zitting heeft de Advocaat-Generaal Machielse verklaard dat een door de politie ingesteld onderzoek heeft uitgewezen dat van de opgeëiste persoon geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is en dat het bevel tot medebrenging van de opgeëiste persoon niet kon worden geëffectueerd.

1.4. De Advocaat-Generaal Machielse heeft ter zitting van de Hoge Raad van 10 december 2002 - overeenkomstig de door hem overgelegde schriftelijke samenvatting, opgesteld door zijn ambtgenoot Jörg - als zijn opvatting te kennen gegeven dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering.

2. Beoordeling van de inleidende vordering

Op grond van hetgeen hiervoor onder 1.2 en 1.3 is weergegeven moet het ervoor worden gehouden dat de opgeëiste persoon in Nederland onvindbaar is. Onder deze omstandigheden kan niet worden onderzocht of het verzoek tot uitlevering voor inwilliging vatbaar is, zodat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de inleidende vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in de inleidende vordering tot het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Braber, en uitgesproken op 24 december 2002.

25 juni 2002

Strafkamer

nr. 00482/02 U

EW/AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 29 januari 2002, nummer CU 2001.117.14, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Colombia) op [geboortedatum] 1967, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft zich niet bevoegd verklaard om van de vordering tot inbehandelingneming van het verzoek tot uitlevering kennis te nemen. Voorts heeft de Rechtbank de vordering gevangenhouding afgewezen en de bewaring van de opgeëiste persoon opgeheven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voorzover de rechtbank zich daarin onbevoegd heeft verklaard kennis te nemen van de vordering tot behandeling van het uitleveringsverzoek en tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie voorzover het is gericht tegen de afwijzing van de vordering tot gevangenhouding van de opgeëiste persoon.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat de Rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard tot het in behandeling nemen van het verzoek tot uitlevering, althans dat haar oordeel onvoldoende is gemotiveerd.

3.2.1. Het proces-verbaal van de zitting van 29 januari 2002 houdt - voorzover hier van belang - in:

"De raadsman betoogt dat de rechtbank te 's-Gravenhage gelet op grond van het bepaalde in artikel 20 van de Uitleveringswet niet bevoegd is om van het verzoek tot uitlevering kennis te nemen. De raadsman wijst er in dit verband op dat de voorlopige aanhouding van de opgeëiste persoon heeft plaatsgevonden in het arrondissement Amsterdam.

Op verzoek van de officier van justitie schorst de rechtbank het onderzoek ter zitting om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen zich over het verweer van de raadsman te beraden.

Na hervatting van het onderzoek ter zitting geeft de officier van justitie te kennen dat de rechtbank te 's-Gravenhage naar haar oordeel op grond van artikel 20 lid 2 Uitleveringswet wel bevoegd is om van het uitleveringsverzoek kennis te nemen omdat:

I. de zaak is aangevangen met een (niet op de uitlevering gericht) verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van de kleine rechtshulp gericht aan het parket te 's-Gravenhage voor het plaatsen van een telefoontap;

II. vervolgens het onder I. genoemde verzoek het feitencomplex opleverde dat aan het uitleveringsverzoek ten grondslag ligt en dat daarom het uitleveringsverzoek door de Verenigde Staten aan het parket te 's-Gravenhage is gedaan;

III. één van de vijf personen waarvan de voorlopige aanhouding is verzocht verblijft in het arrondissement 's-Gravenhage."

3.2.2. De Rechtbank heeft naar aanleiding van het ter zitting gevoerd verweer overwogen:

"5.1 Naar het oordeel van de rechtbank kan artikel 20 eerste lid van de Uitleveringswet niet op de door de officier van Justitie voorgestane (ruime) wijze worden uitgelegd. Beslissend immers voor de bevoegdheid van de uitleveringsrechter is de plaats waar de opgeëiste persoon zich fysiek bevindt. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Uitleveringswet blijkt dat de wetgever met voordacht voor die aanknoping van de bevoegdheid heeft gekozen om "forumshopping" door de minister van justitie zoveel mogelijk te voorkomen. In het voorliggende geval was de plaats waar de opgeëiste persoon zich bevond op het moment waarop de eerste handeling werd verricht ter inleiding van de onderwerpelijke uitleveringsprocedure ten verzoeke van de Verenigde Staten van Noord Amerika niet gelegen binnen het arrondissement 's-Gravenhage. Weliswaar kan op basis van het tweede lid van genoemd artikel een officier van justitie ook bevoegd zijn die reeds bij "de zaak" betrokken was, maar de rechtbank verstaat onder "de zaak" in de zin van dit artikellid steeds het onderzoek naar de toelaatbaarheid en inwilligbaarheid van het uitleveringsverzoek ter zake van het feitencomplex waarop dit verzoek (...) door de opeisende partij kennelijk betrekking heeft. Dit houdt dan in dat die in de wet genoemde eerdere betrokkenheid van die

officier van justitie gericht moet zijn geweest op het voorbereiden of vergemakkelijken van die uitlevering voor dat feitencomplex ten verzoeke van de opeisende partij. Een zodanige betrokkenheid heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. Weliswaar is in het onderhavige geval gebleken dat de Bondsrepubliek Duitsland een eerder rechtshulpverzoek heeft gedaan mede ten laste van de opgeëiste persoon, doch dit verzoek was gericht op de vergemakkelijking van een opsporingsonderzoek in de Bondsrepubliek Duitsland kennelijk voor een feitencomplex mede begaan binnen de rechtsmacht van de Bondsrepubliek Duitsland al dan niet door de opgeëiste persoon. Dit rechtshulpverzoek had zelfs niet ten doel een uitlevering ten behoeve van de Bondsrepubliek Duitsland in te leiden. Uit niets kan blijken dat dit verzoek mede ten doel had "de zaak" -in casu: de uitlevering ten behoeve van de Verenigde Staten van Noord Amerika- voor te bereiden of te vergemakkelijken. Derhalve houdt de rechtbank het ervoor dat het geval als omschreven in artikel 20, tweede lid, van de Uitleveringswet zich nimmer heeft voorgedaan. Ook ambtshalve heeft de rechtbank geen gronden kunnen vinden op basis waarvan de rechtbank van de onderwerpelijke vordering kennis zou kunnen nemen.

5.2 De conclusie van de officier van justitie dat deze rechtbank bevoegd is om van het verzoek tot uitlevering kennis te nemen, omdat één van de personen van wie voorlopige aanhouding is verzocht, verblijft in het arrondissement 's-Gravenhage, is kennelijk gebaseerd op artikel 2 en volgende van het Wetboek van Strafvordering. Deze artikelen zijn evenwel niet van toepassing verklaard voor de Uitleveringswet. In plaats van deze artikelen is artikel 20 van de Uitleveringswet van toepassing.

De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren om van de vordering tot inbehandelingneming van het verzoek tot uitlevering kennis te nemen.

De rechtbank zal daarom de vordering tot gevangenhouding afwijzen en de opheffing van de bewaring van de opgeëiste persoon bevelen."

3.3. De stukken van het geding omvatten - voorzover van belang -:

- een brief van 12 september 2001 van het Amerikaanse Federale Department of Justice, inhoudende een verzoek tot voorlopige aanhouding van de opgeëiste persoon ter zake van daarin genoemde strafbare feiten;

- een brief van 13 september 2001 van het Ministerie van Justitie aan het ICC te Den Haag ter attentie van de Officieren van Justitie D. Lugtenberg en D. van Boetzelaer, waarin wordt verzocht uitvoering te geven aan het verzoek tot voorlopige aanhouding van de opgeëiste persoon;

- een proces-verbaal van Y41 en Y40, ambtenaren van politie en behorend tot het interregionaal arrestatieteam Noord en Oost Nederland, van 1 oktober 2001, dat inhoudt dat op verzoek van de Officier van Justitie mr. D.Ph. van Boetzelaer de opgeëiste persoon op 1 oktober 2001 te Amsterdam is aangehouden;

- een proces-verbaal van H.E. Jutte, hoofdagent van Politie Haaglanden, van 4 oktober 2001, inhoudende dat in het proces-verbaal van Y41 en Y40 abusievelijk als datum van de aanhouding van de opgeëiste persoon is genoemd 1 oktober 2001 in plaats van 2 oktober 2001;

- een bevel tot bewaring van de opgeëiste persoon verleend door de Rechter-Commissaris in de Rechtbank te 's-Gravenhage op 4 oktober 2001;

- een nota nr. 110 met bijlagen van de Ambassade van de Verenigde Staten van Amerika van 28 november 2001 behelzende het verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon terzake van dezelfde feiten als genoemd in eerdergenoemde brief van 12 september 2001;

- een brief namens de Minister van Justitie aan de Hoofdofficier van Justitie te 's-Gravenhage van 29 november 2001 met het verzoek het uitleveringsverzoek in behandeling te nemen.

3.4. Artikel 20 Uw luidt, voorzover thans van belang:

"1. Tenzij Onze Minister reeds aanstonds van oordeel is dat het verzoek tot uitlevering moet worden afgewezen, stelt hij het verzoek met de daarbij behorende stukken - voorzover nodig na gelegenheid te hebben geboden tot aanvulling of verbetering overeenkomstig artikel 19 - in handen van de officier van justitie bij de rechtbank van het arrondissement waarin de opgeëiste persoon zich bevindt.

2. Wanneer een verzoek tot voorlopige aanhouding is voorafgegaan, worden de stukken toegezonden aan de officier van justitie die in verband met dat verzoek reeds bij de zaak betrokken is geweest.

(...)"

3.5. Uit de hiervoor onder 3.3 weergegeven inhoud van de stukken volgt dat, reeds voordat door de Verenigde Staten van Amerika het verzoek werd gedaan tot uitlevering van de opgeëiste persoon, door dezelfde Staat ter zake van dezelfde feiten een verzoek werd gedaan tot voorlopige aanhouding van de opgeëiste persoon en dat aan dit laatstgenoemde verzoek uitvoering is gegeven door de daartoe door de Minister van Justitie aangezochte Officier van Justitie bij de Rechtbank te 's-Gravenhage. Hieruit volgt dat zich hier het geval voordoet waarop art. 20, tweede lid, Uw betrekking heeft. Dit brengt mee dat het oordeel van de Rechtbank te 's-Gravenhage dat zij onbevoegd is om het uitleveringsverzoek op vordering van de Officier van Justitie te 's-Gravenhage in behandeling te nemen, onjuist is, zodat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.

3.6. In zoverre slaagt het middel.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen om te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad op dinsdag 3 september 2002 om 12:00 uur teneinde omtrent het verzoek tot zijn uitlevering te worden gehoord.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 25 juni 2002.