Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE3389

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-09-2002
Datum publicatie
27-09-2002
Zaaknummer
C00/174HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE3389
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 489
NJ 2002, 620 met annotatie van P. van Schilfgaarde
RvdW 2002, 148
FED 2003/57
V-N 2002/48.29 met annotatie van Redactie
JWB 2002/336
JOR 2002/212
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 september 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/174HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

VERENIGING TEGEN PIRAMIDESPELEN, gevestigd te Enschede,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema,

t e g e n

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ ONDERNEMINGEN 2 ROTTERDAM, gevestigd te Rotterdam,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. R.M. Hermans.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - heeft bij exploit van 26 juli 1999 eiseres tot cassatie - verder te noemen: de Vereniging - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. het door de Vereniging gelegde executoriaal beslag op de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats], ingeschreven in het kadaster op 13 augustus 1998 met inschrijvingsnummer 15431 072 op te heffen;

B. voor zover nodig de executie van het door de Vereniging verkregen vonnis van de Rechtbank te Almelo van 15 juli 1998 (rolnummer 1998/107) voor onbepaalde tijd te schorsen.

De Vereniging heeft de vordering bestreden en van haar kant in reconventie gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

* de Staat te verbieden zich uit hoofde van aanslag 0862.03.551.H61 voor 31 oktober 1999 te verhalen op inkomen of vermogen van [betrokkene];

* de Staat te verbieden zich uit hoofde van de aanslag 0862.03.551.H61 op of na 31 oktober 1999 te verhalen op inkomen of vermogen van [betrokkene], zolang een vordering van de Vereniging tegen [betrokkene] aanhangig is en tot 12 maanden nadat terzake die vordering een einduitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

De Ontvanger heeft in reconventie de vorderingen bestreden.

De President van de Rechtbank heeft bij vonnis van 29 juli 1999 het door de Ontvanger in conventie gevorderde toegewezen, het vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in reconventie de voor de Vereniging gevraagde voorzieningen geweigerd.

Tegen dit vonnis heeft de Vereniging zowel in conventie als in reconventie appel ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij memorie van grieven heeft zij haar eis in reconventie gewijzigd en gevorderd:

* de Ontvanger te veroordelen om hetgeen uit hoofde van aanslag 0862.03.551.H61 werd verhaald op inkomen of vermogen van [betrokkene] te betalen aan de Vereniging, met dien verstande dat, mocht dat bedrag meer zijn dan ƒ 1.000.000,--, slechts ƒ 1 miljoen betaald hoeft te worden, bij wijze van voorschot op een in een bodemprocedure vast te stellen vergoeding;

* de Ontvanger te verbieden zich uit hoofde van aanslag 0862.03.551.H61 te verhalen op inkomen of vermogen van [betrokkene], zolang een vordering van de Vereniging tegen [betrokkene] aanhangig is en tot 12 maanden nadat terzake die vordering een einduitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.

Bij arrest van 20 april 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd en de gewijzigde vordering van de Vereniging in reconventie afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de Vereniging beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De Vereniging is een vereniging waarin de belangen van een groot aantal door deelname aan een zogenoemd "piramidespel" gedupeerden zijn gebundeld.

(ii) Bij vonnis van 15 juli 1998 heeft de rechtbank te Almelo een vordering van de Vereniging tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad toegewezen tegen een zekere [betrokkene], een van de "marketing managers" van een piramidespel. [Betrokkene] werd daarbij veroordeeld tot betaling van ƒ 40.111,-- in hoofdsom.

(iii) De Vereniging heeft op 13 augustus 1998 executoriaal beslag gelegd op de woning van [betrokkene]. Drie andere schuldeisers met kleinere vorderingen hebben eveneens executoriaal beslag gelegd.

(iv) Op 15 juli 1997 is aan [betrokkene] een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 opgelegd ten bedrage van ƒ 3.450.000,--. Tegen deze aanslag heeft [betrokkene] geen bezwaar gemaakt. Op 10 november 1997 is aan [betrokkene] een dwangbevel betekend voor genoemde aanslag.

(v) Op 22 april 1997 heeft de Ontvanger conservatoir beslag gelegd ten laste van [betrokkene] op diens woning. Door de uitvaardiging van voormeld dwangbevel is dit beslag per 10 november 1997 omgezet in een executoriaal beslag.

(vi) De executiewaarde van de woning bedroeg ƒ 725.000,--. Op 2 juli 1999 heeft [betrokkene] met een gegadigde een overeenkomst getekend voor de verkoop van de woning voor een bedrag van ƒ 815.000,--, dit onder de voorwaarde dat vóór 1 augustus 1999 de beslagleggers toestemming geven tot de verkoop.

(vii) Op de woning van [betrokkene] rustte een hypotheek ten behoeve van de Rabobank voor leningen van in totaal ƒ 270.000,--. De bank was bereid bij de onderhandse verkoop royement te verlenen, mits haar vorderingen werden voldaan.

(viii) Op 28 september 1999 is [betrokkene] in staat van faillissement verklaard. De koper van de woning is kort daarvoor eveneens in staat van faillissement verklaard. De curator in het faillissement van [betrokkene] heeft de koopovereenkomst vernietigd en heeft de verkoop van de woning zelf ter hand genomen.

3.2 De Ontvanger heeft in kort geding - voor zover in cassatie van belang - opheffing gevorderd van het door de Vereniging gelegde executoriale beslag. Aan zijn vordering heeft de Ontvanger ten grondslag gelegd dat de Vereniging misbruik van recht maakt door te weigeren het beslag op te heffen, nu alle beslagleggers bereid zijn het beslag op te heffen om de onderhandse verkoop mogelijk te maken, waardoor de Ontvanger en [betrokkene] een hogere opbrengst zouden ontvangen, en nu de Vereniging bij handhaving van haar beslag geen enkel belang heeft omdat de (gehele) opbrengst van de woning altijd aan de hypotheekhouder en aan de Ontvanger als bevoorrechte schuldeisers zal toekomen.

De Vereniging heeft als verweer aangevoerd dat [betrokkene] inkomsten heeft behaald uit het organiseren van piramidespelen, dat precies achterhaalbaar is wie die inkomsten hebben bijeengebracht, dat die inkomsten aan de slachtoffers moeten worden gerestitueerd, en dat derhalve belastingheffing over die inkomsten jegens de slachtoffers onrechtmatig is. In reconventie heeft de Vereniging gevorderd als hiervoor in 1 is vermeld.

De President heeft de vordering van de Ontvanger toegewezen en de door de Vereniging gevraagde voorzieningen afgewezen. In hoger beroep heeft het Hof de door de Vereniging tegen het vonnis opgeworpen grieven verworpen, en het in hoger beroep door de Vereniging gevorderde (zie hiervoor in 1) afgewezen.

3.3.1 In rov. 11 van zijn arrest heeft het Hof, samen-gevat weergegeven, als volgt overwogen. Uit het arrest van 5 september 1997, nr. 16400, NJ 1998, 437 (Ontvanger /mr. Hamm q.q.) vloeit niet voort dat de vordering van de Vereniging uit onrechtmatige daad bij voorrang uit de opbrengst van de verkoop van de woning van [betrokkene] dient te worden betaald. De leden van de Vereniging hebben welbewust deelgenomen aan een zogenoemd piramidespel, terwijl van algemene bekendheid is dat deelname aan dergelijke spelen met risico's gepaard gaat. Dit is een geheel andere situatie dan de situatie in genoemd arrest, waarin iemand als gevolg van een onmiskenbare vergissing een betaling heeft gedaan.

Onderdeel 1, dat gericht is tegen voormelde rechtsoverweging, betoogt dat in een geval als het onderhavige de Ontvanger - ook al heeft hij een hoge preferentie - ongerechtvaardigd zou worden verrijkt door onrechtmatig handelen van [betrokkene] indien hij de belastingvordering, die voortkomt uit inkomsten van [betrokkene] uit diens onrechtmatig handelen, zou kunnen verhalen boven de vordering van de slachtoffers van dat onrechtmatig handelen, en dat de redelijkheid dan ook meebrengt dat de Ontvanger de slachtoffers van het onrechtmatig handelen laat voorgaan. Het onderdeel voert voorts aan, met een verwijzing naar art. 577b Sv., dat het Openbaar Ministerie bij ontnemingsvorderingen - gestoeld op onrechtmatig handelen van een strafrechtelijk veroordeelde - de civiele vordering van de slachtoffers laat voorgaan.

Het onderdeel voert tenslotte aan dat het Hof heeft miskend dat geen sprake is van een welbewust deelnemen door de leden van de Vereniging aan het piramidespel. Het onderdeel wijst erop dat hetgeen in de memorie van grieven onder 3.6.3 en 4.3 daaromtrent is gesteld door de Ontvanger niet is weersproken.

3.3.2 Voor zover het onderdeel een beroep doet op voormeld arrest van de Hoge Raad van 5 september 1997, ziet het eraan voorbij dat het onderhavige geval een geheel andere situatie betreft dan in genoemd arrest aan de orde was. In het laatste geval ging het om een na de faillietverklaring aan de curator gedane betaling als gevolg van een onmiskenbare vergissing. Van een betaling als gevolg van een onmiskenbare vergissing of als gevolg van een daarmee voor de toepassing van de Faillissementswet in dit verband op een lijn te stellen oorzaak is hier echter geen sprake. Het onderdeel betoogt daarnaast tevergeefs dat de Ontvanger ongerechtvaardigd wordt verrijkt indien hij zijn vordering, die uiteindelijk zijn grondslag vindt in onrechtmatig handelen van [betrokkene], zou kunnen verhalen boven de vordering van de Vereniging. Art. 21 Invorderingswet 1990 verleent voor de invordering van rijksbelastingen een voorrecht met een hoge rang op alle goederen van de belastingschuldige. Aan de vordering uit onrechtmatige daad is geen voorrang toegekend. De hieruit voortvloeiende gunstige positie voor de Ontvanger is een direct gevolg van het in de art. 3:276 e.v. BW geregelde preferentiesysteem. Dat bij de regeling van de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de art. 36e Sr. en 577 lid 2 Sv. rekening wordt gehouden met de positie van benadeelde derden levert, anders dan het onderdeel voorts nog betoogt, geen grond op om in het onderhavige geval inbreuk te maken op het wettelijke preferentiesysteem.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de motiveringsklacht bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden.

3.4.1 Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 12 van het bestreden arrest, waarin het Hof heeft overwogen dat de door de Vereniging geclaimde voorrang evenmin voortvloeit uit art. 14 paragraaf 1 lid 14 van de Leidraad invordering 1990, daar die bepaling een andere situatie op het oog heeft en zich niet leent voor toepassing op de situatie waarin de Vereniging zich bevindt.

Het onderdeel voert aan dat het Hof kennelijk het betoog van de Ontvanger onder 41 van de memorie van antwoord (inhoudende dat art. 14 paragraaf 1 lid 14 van de Leidraad invordering 1990 geen toepassing vindt wanneer het OM afziet van het indienen van een ontnemingsvordering) tot het zijne maakt, doch dat door de Vereniging slechts is betoogd dat genoemde bepaling naar analogie moet worden toegepast en dat het Hof niet heeft aangegeven waarom die analogische toepassing niet opgaat.

3.4.2 Art. 14 paragraaf 1 lid 14 van de Leidraad invordering 1990 houdt een regeling in die erop neerkomt dat de Belastingdienst de strafrechtelijke sanctionering en ontneming van wederrechtelijk verkregen voordelen zo min mogelijk belemmert. Het Openbaar Ministerie gaat in beginsel voor indien het een ontnemingsvordering instelt. Door te overwegen dat de door de Vereniging genoemde bepaling het oog heeft op "een andere situatie" en zich niet leent "voor toepassing op de situatie waarin de Vereniging zich bevindt" heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat van een analogische toepassing geen sprake kan zijn. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Dit oordeel geeft voorts niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering. Het onderdeel faalt mitsdien.

3.5 Onderdeel 3 bestrijdt 's Hofs oordeel dat de weigering van de Vereniging om haar beslag op de woning op te heffen onder de gegeven omstandigheden misbruik oplevert van haar bevoegdheid tot verhaal van haar vordering. Het onderdeel betoogt dat in verband met de vraag of sprake is van misbruik van recht, niet doorslaggevend is of het belang van de Vereniging dient te wijken voor het belang van de Ontvanger, doch of de Vereniging bij de uitoefening van haar recht, gezien het belang van de Ontvanger dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

In 's Hofs uitspraak - waarin onder meer erop wordt gewezen dat de opbrengst van de woning bij lange na niet voldoende zou zijn om de belastingschuld van [betrokkene] te delgen (rov. 15) en dat een onevenredigheid bestaat tussen de belangen van de Vereniging om door te onderhandelen en het belang van de Ontvanger en [betrokkene] bij een hogere opbrengst (rov. 26) - ligt besloten dat naar het oordeel van het Hof de Vereniging, gezien het belang van de Ontvanger dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot uitoefening van haar recht heeft kunnen komen. In zoverre mist het onderdeel derhalve feitelijke grondslag. 's Hofs oordeel behoefde voorts geen nadere motivering, zodat het onderdeel voor het overige faalt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Vereniging in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 286,80 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren, A.E.M. van der Putt-Lauwers, A.G. Pos, D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 27 september 2002.