Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE3381

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-09-2002
Datum publicatie
20-09-2002
Zaaknummer
C01/004HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE3381
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 478
NJ 2002, 610 met annotatie van C.E. du Perron
RvdW 2002, 143
Computerrecht 2002, p. 393 met annotatie van R. van Esch
JWB 2002/315
JOR 2002/210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 september 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/004HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

ING BANK N.V., gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerster,

advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek,

t e g e n

Mr. Eelke Nicolaas MULLER, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van FIRST LINE MEDICAL GROUP B.V.,

kantoorhoudende te Katwijk,

VERWEERDER in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiser,

advocaat: mr. T. Cohen Jehoram.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - heeft bij exploit van 11 april 1997 eiseres tot cassatie - verder te noemen: de bank - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat de pandakte betreffende rechten op software en bijbehorende roerende zaken, gesloten tussen de bank en de besloten vennootschap First Line Medical Group B.V. van 8 april 1993 nietig is, althans deze te vernietigen, althans te verklaren voor recht dat op de software, zoals aangetroffen in het faillissement van voormelde vennootschap en de bijbehorende gegevensdragers geen pandrechten rusten van de bank;

2. de Bank te veroordelen om aan de curator tegen behoorlijk bewijs van kwijting en zonder zekerheidstelling te voldoen een bedrag van ƒ 1.050.000,--, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente daarover vanaf 19 september 1995 tot aan de dag der algehele voldoening.

De Bank heeft de vorderingen bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 23 december 1998 het gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft de curator hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij tussenarrest van 23 december 1999 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door elk van beide partijen. Bij eindarrest van 21 september 2000 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank waarvan beroep vernietigd en opnieuw rechtdoende:

1. voor recht verklaard dat op de software, zoals aangetroffen in het faillissement van voormelde vennootschap en de bijbehorende gegevensdragers geen pandrechten rusten van de Bank;

2. de Bank veroordeeld om aan de curator tegen behoorlijk bewijs van kwijting en zonder zekerheidstelling te voldoen een bedrag van ƒ 1.050.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 september 1995 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beide arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindarrest van het Hof heeft de bank beroep in cassatie ingesteld. De curator heeft tegen beide arresten van het Hof voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de curator mede door mr. H.S.C. Hartman, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het incidenteel cassatiemiddel en, op het principaal cassatiemiddel, tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof.

De advocaat van de curator heeft bij brief van 29 mei 2002 op die conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1 vermelde feiten.

3.2 Het gaat in deze zaak in het bijzonder om de vraag of het in 1993 door de (later gefailleerde) First Line Medical Group B.V. (hierna: Group) ten gunste van de bank gevestigde pandrecht op de software "Quest", waarop zij het auteursrecht heeft, tot zekerheid strekt voor de door de bank in het faillissement van Group ingediende vordering. De curator bestrijdt dat onder meer op grond van de stelling dat in 1993 geen kredietrelatie bestond tussen de bank en Group, maar alleen tussen de bank en First Line Medical Hospital Networks B.V. (hierna: Networks). De Rechtbank heeft de vordering van de curator tot, kort gezegd, verklaring voor recht dat het pandrecht van de bank niet op het programma "Quest" rust, afgewezen. Daarentegen heeft het Hof voor recht verklaard dat op het programma geen pandrecht van de bank rust.

3.3.1 In de eerste rov. 3.2 van zijn eindarrest vermeldt het Hof als vaststellingen uit zijn tussenarrest:

"dat er op 8 april 1993 een geldige titel bestond voor een pandrecht op de vorderingen van ING op Networks alsmede op de vorderingen van ING op Group in haar hoedanigheid van medeschuldenaar ten aanzien van de schulden van Networks. Voorts is bij onderhandse akte op 8 april 1993 geldig pandrecht gevestigd op de software van Group voor de vorderingen van ING op Networks. Deze akte is mede namens Group getekend in haar hoedanigheid van medepandgever."

Deze vaststellingen, waarbij het Hof met "een pandrecht op de vorderingen van ING" telkens bedoeld zal hebben "een pandrecht voor de vorderingen van ING", zijn in cassatie niet bestreden. Vervolgens overweegt het Hof - eveneens in cassatie niet bestreden - dat na het tussenarrest is komen vast te staan dat vóór 28 april 1993 nog geen kredietrelatie tussen de bank en Group bestond, dat de bank de kredieten van Group en Networks apart heeft geadministreerd en in het faillissement geen vordering op Group in haar hoedanigheid van medeschuldenaar van Networks heeft ingediend, maar alleen een vordering voor de eigen schulden van Group uit hoofde van haar kredietrelatie met de bank (tweede rov. 3.2).

3.3.2 Uit het ontbreken van een kredietrelatie tussen de bank en Group leidt het Hof af dat vóór 28 april 1993 geen geldige titel voor de vestiging van pandrechten tot zekerheid van vorderingen van de bank op Group zelf bestond. In de overeenkomst betreffende de opening van het rekening-courantkrediet van Group van 28 april en 6 mei 1993 is, anders dan bij het krediet van Networks, (volgens de bank abusievelijk) niet de verplichting tot het vestigen van een pandrecht op het programma "Quest" opgenomen (rov. 3.3) en Group heeft ook later geen pandrecht op dat programma gevestigd tot zekerheid van de nakoming van eigen schulden van Group (rov. 3.4). Group heeft slechts als medeschuldenaar van Networks pandrecht op het programma gevestigd en nu Group niet in die hoedanigheid van medeschuldenaar is aangesproken, biedt het feit dat Group en Networks hoofdelijk aansprakelijk waren voor elkaars schulden, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de bank zich op de verpande software van Group kan verhalen, aldus het Hof (rov. 3.5-3.6). De slotsom van het Hof is dat de bank niet op grond van het door haar gestelde pandrecht rechten kan doen gelden op de met de verkoop van de software gerealiseerde opbrengst van ƒ 1.050.000,-- (rov. 3.8).

4. Beoordeling van het middel in het principaal beroep

4.1 Het eerste onderdeel stelt aan de orde hoe de vraag moet worden beantwoord voor welke schulden Group op 8 april 1993 haar software aan de bank heeft verpand. Volgens onderdeel 1.1 heeft het Hof bij de beantwoording van die vraag de zogenaamde Haviltex-maatstaf, ontleend aan het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981, nr. 11647, NJ 1981, 635, miskend. Het onderdeel wijst op de volgende omstandigheden (samengevat):

a. de voorgeschiedenis van de verpanding, zoals door de bank geschetst;

b. het feit dat de bank al vóór 8 april 1993 te kennen had gegeven het aan Networks verleende krediet te willen splitsen in een krediet aan Networks en een krediet aan Group;

c. de omstandigheid dat de bank daartoe op 14 september 1992 een overeenkomst van kredietverlening aan [betrokkene] (directeur/groot-aandeelhouder van Group) heeft doen toekomen, welke toen namens Group door deze is ondertekend en alleen om hier niet terzake doende redenen niet is geëffectueerd;

d. de omstandigheid dat de schuld waarvoor Group het pandrecht heeft verstrekt (de schuld van Networks aan de bank), na de kredietverlening aan Group bijna geheel door Group is overgenomen door aanwending van dat krediet, terwijl de bank thans het pandrecht voor de schuld uit dat krediet wil uitwinnen;

e. de omstandigheid dat de niet-vermelding van een pandrecht op de software van Group in de aan Group aangeboden kredietovereenkomst berust op een omissie van de bank.

In het licht van die omstandigheden had het Hof volgens het onderdeel ten minste moeten onderzoeken of partijen bedoeld hebben dat het door Group op 8 april 1993 verstrekte pandrecht mede zou strekken tot zekerheid van de nakoming van de schuld waarvoor de bank het pandrecht thans wil uitwinnen, en had het Hof geen (beslissende) betekenis mogen toekennen aan de tekst van de pandakte van 8 april 1993 en de brief van de bank aan de curator van 2 augustus 1995 waarin de bank bij de opsomming van haar zekerheden niet de software noemt. Onderdeel 1.2 betoogt dat het oordeel van het Hof, als het wel de Haviltex-maatstaf heeft toegepast, onbegrijpelijk is in het licht van genoemde omstandigheden.

4.2 Deze onderdelen betreffen aldus de uitleg van de titel die aan de ingevolge art. 3:236 lid 2 BW in verbinding met art. 2 lid 2 Auteurswet 1912 hier vereiste akte tot vestiging van het pandrecht ten grondslag ligt, dat wil zeggen de rechtsverhouding die tot het vestigen van het pandrecht verplichtte. Die rechtsverhouding is in dit geval de ten tijde van de vestiging op 8 april 1993 bestaande contractuele verhouding tussen de bank en Group. De onderdelen gaan terecht ervan uit dat bij de uitleg van die verhouding de hiervoor bedoelde maatstaf dient te worden toegepast: het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dat heeft het Hof echter niet miskend. Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof de hiervoor in 4.1 vermelde omstandigheden in aanmerking genomen en klaarblijkelijk de hier bedoelde maatstaf toegepast. Onderdeel 1.1 mist dan ook feitelijke grondslag. Het oordeel van het Hof dat die omstandigheden niet leiden tot de door de bank bepleite gevolgtrekking dat de verpanding mede is geschied tot zekerheid voor de toekomstige eigen schulden van Group waaronder het onderhavige rekening-courantkrediet, is met feitelijke waarderingen verweven, toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. In cassatie kan het niet verder worden getoetst, zodat ook onderdeel 1.2 niet tot cassatie kan leiden.

4.3 Bij het vorenstaande verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat een overeenkomst ook gevolgen heeft voor anderen dan partijen, niet rechtvaardigt een andere maatstaf toe te passen dan de hier bedoelde, uiteraard met dien verstande dat met de rechten van derden rekening dient te worden gehouden op de voet van art. 3:36 BW. Laatstgenoemde bepaling speelt in dit geding echter geen rol. Ook de omstandigheid dat een overeenkomst de titel vormt voor de vestiging van een - tegen derden in te roepen - pandrecht, rechtvaardigt op zichzelf niet een andere maatstaf toe te passen. Daarbij is van belang dat met betrekking tot de hier aan de orde zijnde vraag - voor welke vordering wordt pand gegeven - de wet niet meer eisen stelt, dan dat deze vordering voldoende bepaalbaar is (art. 3:231 lid 2). Indien de verpanding bij akte heeft plaatsgevonden en de vordering in de akte niet nauwkeurig is omschreven, zal voor die bepaalbaarheid dan ook veelal te rade moeten worden gegaan bij de contractuele verhouding tussen pandgever en pandhouder. Daargelaten de eisen die (overigens) aan de inhoud van een pandakte moeten worden gesteld - vgl. HR 29 juni 2001, nr. C99/296, NJ 2001, 662 - is er geen reden om bij de uitleg van die verhouding wat dit betreft een andere maatstaf toe te passen dan de gebruikelijke.

4.4 De onderdelen 1.3, 1.4 en 1.5 falen op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.22 onderscheidenlijk 2.24 en 2.25 uiteengezette gronden.

4.5.1 Het falen van onderdeel 1 brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het pandrecht door Group uitsluitend is gevestigd tot zekerheid voor de schulden van Networks, waarvoor Group zich als hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden. Voor dat geval betoogt onderdeel 2 dat het pandrecht blijkens de akte van 8 april 1993 ook de toekomstige schulden van Networks betreft en dat tot die toekomstige schulden behoorde de schuld van Networks aan de bank die ontstond toen Networks zich op 6 mei 1993 als hoofdelijk medeschuldenaar verbond voor de schulden van Group aan de bank. Weliswaar heeft de bank Networks (nog) niet aangesproken als medeschuldenaar voor de kredietschuld van Group, maar de mogelijkheid bestaat dat dit alsnog gebeurt en in dat geval zou de bank zich bij niet-betaling door Networks moeten kunnen verhalen op de door Group verpande software.

4.5.2 Dit onderdeel slaagt. Uitgaande van de uitleg van de pandakte die op grond van het vorenstaande als juist moet worden aanvaard, valt niet zonder meer in te zien waarom het door Group voor toekomstige schulden van Networks verleende pandrecht op het programma "Quest" niet mede zou strekken tot zekerheid voor de hier bedoelde schuld van Networks aan de bank als hoofdelijk medeschuldenaar van Group, ingeval de bank Networks voor die schuld aanspreekt. De algemeen geformuleerde verklaring voor recht dat op de software met bijbehorende gegevensdragers van Group (in het geheel) geen pandrechten van de bank rusten, zoals door het Hof uitgesproken, behoefde dan ook nadere motivering, die het arrest van het Hof niet bevat.

5. Beoordeling van het middel in het incidenteel beroep

5.1 De onderdelen 1 en 2 bevatten geen klacht. Onderdeel 3 bestrijdt het oordeel van het Hof dat het voor de geldigheid of uitoefening van pandrecht op (auteursrecht op) software niet noodzakelijk is dat tevens pandrecht is gevestigd op de gegevensdragers waarop het programma is opgeslagen (rov. 4.9 en 4.10 tussenarrest). Het onderdeel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft immers tevens geoordeeld dat de curator geen belang had bij de desbetreffende grief tegen het vonnis van de Rechtbank, omdat de software en de hardware intussen onderhands aan een derde waren verkocht, en dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden.

5.2.1 Onderdeel 4 bestrijdt het oordeel van het Hof in de rov. 4.11-4.15 van het tussenarrest dat het object van het pandrecht voldoende is omschreven. Volgens onderdeel 4.1 is identificatie van de verpande software met een naam als "Quest" onvoldoende en is daarnaast nadere informatie over de technische eigenschappen van het programma althans andere specifieke informatie vereist.

5.2.2 De eis dat het verpande goed met voldoende bepaaldheid omschreven moet zijn, is neergelegd in art. 3:84 lid 2 in verbinding met art. 3:98 BW. Aan die eis is in het algemeen voldaan als de akte van verpanding zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welk goed het gaat (vgl. HR 16 juni 1995, nr. 15687, NJ 1996, 508, en HR 20 juni 1997, nr. 16365, NJ 1998, 362). Er is geen reden daarover anders te oordelen bij de verpanding van auteursrechten op software, zoals hier aan de orde. Het Hof heeft dan ook terecht deze maatstaf toegepast (rov. 4.12), zodat de rechtsklacht van het onderdeel faalt. Het oordeel van het Hof dat in dit geval de software voldoende is omschreven, is voor het overige van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd, zodat ook de motiveringsklachten moeten worden verworpen.

5.2.3 De onderdelen 4.2 en 4.3 gaan uit van de veronderstelling dat naar het oordeel van het Hof de curator diende te stellen en zo nodig bewijzen dat de aanduiding van de verpande software onvoldoende is geweest. Deze veronderstelling berust op een onjuiste lezing van het arrest van het Hof, zodat de onderdelen bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kunnen leiden.

5.2.4 De onderdelen 4.4 en 4.5 bouwen voort op de onderdelen 4.1 - 4.3 en moeten het lot daarvan delen.

5.3.1 Volgens onderdeel 5 heeft het Hof bij de vaststelling van het object van de verpanding ten onrechte de aanknopingspunten voor uitleg toegepast, die gelden voor overeenkomsten in het algemeen. Onderdeel 5.1 betoogt, samengevat, dat het bij de uitleg van een rechtshandeling waarbij de goederenrechtelijke verpanding plaatsvindt, althans in gevallen waarin die bij akte geschiedt of moet geschieden, gaat om de voor derden kenbare, geobjectiveerde, strekking van die handeling, zodat het aankomt op datgene wat voor derden kenbaar is uit die akte en minder op de bedoeling van partijen. Volgens onderdeel 5.2 mag in het bijzonder aan gebeurtenissen van na de goederenrechtelijke rechtshandeling geen (doorslaggevende) betekenis worden toegekend. Volgens onderdeel 5.3 geldt het betoog van onderdeel 5.1 in het bijzonder voor de verpanding van bestaande en nog te creëren software.

5.3.2 Dit een en ander stuit af op hetgeen hiervoor in 5.2.2 is overwogen en, voorzover het de uitleg betreft van de contractuele verhouding die tot vestiging van het pandrecht verplichtte, op hetgeen hiervoor in 4.2 en 4.3 is overwogen. De klacht dat het Hof ten onrechte in rov. 4.18 van zijn tussenarrest bepaalde gegevens heeft gevraagd en daaraan in zijn eindarrest betekenis heeft toegekend, miskent bovendien dat die gegevens niet het voorwerp van de verpanding betroffen, maar de vraag voor welke vordering(en) het pandrecht was gevestigd en werd uitgeoefend. Onderdeel 5 faalt in zijn geheel.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principaal beroep:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 september 2000;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de bank begroot op € 4.358,50 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris;

in het incidenteel beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de bank begroot op € 68,07 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, A.G. Pos en D.H. Beukenhorst, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 20 september 2002.