Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE3347

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-09-2002
Datum publicatie
23-09-2002
Zaaknummer
R01/090HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE3347
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 470
NJ 2003, 47 met annotatie van S.F.M. Wortmann
RvdW 2002, 140
EB 2003, 1
JWB 2002/328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 september 2002

Eerste Kamer

Rek.nr. R01/090HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. K.T.B. Salomons,

t e g e n

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

De Hoge Raad verwijst voor het verloop van het geding in de feitelijke instanties naar het hierna in 3.1 overwogene.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) Partijen zijn gehuwd op 14 mei 1968. Het huwelijk is op 29 juli 1997 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 21 mei 1997 in de registers van de burgerlijke stand.

(ii) Bij beschikking van 14 januari 1998 is de door verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - te betalen uitkering tot levensonderhoud van de verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - met ingang van 29 juli 1997 bepaald op ƒ 2.350,-- per maand.

(iii) Met een op 22 oktober 1999 ter griffie van de Rechtbank ingediend verzoekschrift heeft de man zich gewend tot de Rechtbank en verzocht - voor zover in cassatie van belang - de onder (ii) vermelde beschikking te wijzigen en de alimentatie voor de vrouw op de voet van art. 1:401 lid 1 BW met ingang van 1 januari 1998 op nihil te bepalen, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanig tijdstip als de Rechtbank juist zal achten.

(iv) De vrouw heeft het verzoek bestreden. Zij heeft onder meer "[uitdrukkelijk] betwist dat de alimentatie met terugwerkende kracht kan worden gewijzigd" en zij heeft de Rechtbank verzocht het verzoek van de man af te wijzen.

(v) De Rechtbank heeft bij beschikking van 8 maart 2000 met wijziging van de onder (ii) vermelde beschikking bepaald dat de man met ingang van 22 oktober 1999 ƒ 2.125,-- per maand aan de vrouw voor haar levensonderhoud moet uitkeren. Voorts heeft de Rechtbank de bedoelde uitkering over de periode van 22 oktober 1999 tot de datum van deze beschikking nader bepaald op hetgeen dienaangaande in feite is betaald of verhaald, en het meer of anders verzochte afgewezen. De Rechtbank heeft haar beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

(vi) De Rechtbank heeft daartoe - voor zover in cassatie van belang - overwogen dat, gelet op de vaststaande feiten, uitgegaan moet worden van een rechtens relevante behoefte van de vrouw, hierbij mede in aanmerking genomen de welstand van partijen tijdens het huwelijk en de hoogte van de tot op heden door de vrouw ontvangen alimentatie, en dat de man in staat moet worden geacht om maandelijks ƒ 2.125,-- bij te dragen ten behoeve van de vrouw. "Nu naar het oordeel van de rechtbank de vrouw eerst vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift - 22 oktober 1999 - rekening kon houden met een te verwachten wijziging in de alimentatie, zal per die datum de beschikking gewijzigd worden. Van de vrouw kan niet gevergd worden dat zij de teveel aan haar betaalde alimentatie aan de man als onverschuldigd betaald teruggeeft nu deze bijdrage juist is samengesteld ter dekking van haar levensonderhoud.", aldus de Rechtbank.

(vii) De man heeft in hoger beroep verzocht de door hem te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 oktober 1997 op nihil te stellen, althans met ingang van een datum die het Hof juist zal achten.

(viii) Grief VIII van de man luidt: "Ten onrechte heeft de rechtbank beslist dat de bijdrage van de man over de periode gelegen tussen de datum van indiening van het rekest (22-10-1999) en de datum van beschikkingwijziging (08-03-2000) bepaald wordt op hetgeen de man dienaangaande feitelijk heeft betaald." In de toelichting op deze grief is onder meer vermeld dat de man aan zijn verplichtingen ingevolge de onder (ii) vermelde beschikking tot en met 8 maart 2000 heeft voldaan. Voorts voert de man onder meer aan dat hij aan deze verplichting heeft voldaan omdat, zou hij dat niet hebben gedaan, de vrouw ongetwijfeld tot betekening en executie van die beschikking zou zijn overgegaan.

(ix) De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 2.483,38 per maand, zijnde het bedrag van ƒ 2.350,-- per maand zoals bepaald bij de onder (ii) vermelde beschikking, vermeerderd met de wettelijke indexering.

(x) Naar aanleiding van grief VIII van de man heeft de vrouw onder meer aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de Rechtbank terecht en volgens vaste jurisprudentie heeft geoordeeld dat van de vrouw niet verwacht kon worden dat zij het teveel betaalde als onverschuldigd betaald zou moeten teruggeven, nu deze bijdrage juist is samengesteld ter dekking van de kosten van haar levensonderhoud.

(xi) Het Hof heeft bij beschikking van 17 mei 2001 de beschikking waarvan beroep vernietigd, de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 22 oktober 1999 op ƒ 600,-- per maand bepaald, en het meer of anders verzochte afgewezen. Het Hof heeft zijn beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

(xii) Het Hof heeft daartoe - voor zover in cassatie van belang - als volgt overwogen. De vrouw heeft, gelet op de welstand van partijen tijdens hun huwelijk, behoefte aan een nader te noemen uitkering tot haar levensonderhoud (rov. 3.4). Een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van ƒ 600,-- per maand is in overeenstemming met de wettelijke maatstaven (rov. 3.7). Nu de vrouw vanaf 22 oktober 1999, de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, rekening kon houden met een eventuele wijziging van de hoogte van de alimentatie, acht het hof het redelijk 22 oktober 1999 aan te merken als ingangsdatum (rov. 3.8).

3.2.1 Bij de beoordeling van onderdeel I, dat zich keert tegen de door het Hof in rov. 3.8 gegeven motivering voor zijn beslissing de verlaging van de alimentatie te doen ingaan op de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, te weten 22 oktober 1999, moet het volgende worden vooropgesteld. Art. 1:402 BW is gelijkluidend aan de in het Ontwerp Meijers voorgestelde tekst. De Toelichting Meijers bij deze bepaling luidt als volgt:

"Dit artikel beantwoordt aan artikel 472 B.W. Daar het rechterlijk vonnis de verplichting tot onderhoud niet schept, kan de rechter de dag te rekenen waarvan het onderhoud verschuldigd is in zijn vonnis bepalen. Ook bij gewijzigde omstandigheden zijn het deze en niet een daarop gevolgd vonnis die de inhoud der verplichting wijzigen. Reeds lang is de rechtspraak in die zin gevestigd. Zie o.a. H.R. 12 April 1940, N.J. 1940 no. 590 en 3 Januari 1934. N.J. 1934 p. 95. Zelfs kan de rechter reeds van te voren met een mogelijke wijziging rekening houden en voor het geval, dat deze wijziging zich mocht voordoen, bij voorbaat een gewijzigd bedrag bepalen. H.R. 30 November 1945, N.J. 1946 no. 84 en 28 November 1946, N.J. 1947 no. 58.

Al is dus de rechter bevoegd de aanvangsdatum van de verplichting of van haar wijziging vóór de dag der dagvaarding te stellen - iets wat ten allen overvloede nog uit het derde lid van dit artikel blijkt -, zo dient de rechter desniettemin van deze bevoegdheid een voorzichtig gebruik te maken. De verplichting is immers niet een tot het voldoen van een geldsom zonder meer, maar tot het verstrekken van levensonderhoud. Deze verplichting is minder sprekend, wanneer levensonderhoud voor het verleden dan wanneer het voor de toekomst wordt gevraagd: iemand in het verleden te onderhouden is evenzeer iets tegenstrijdigs als iemand in het verleden te moeten verzorgen. En zeker mag het recht om levensonderhoud te kunnen vorderen niet misbruikt worden om door met het instellen van de actie te wachten, een potje te vormen. Aan de andere kant mogen deze overwegingen niet ten gevolge hebben, dat zij, die levensonderhoud verschuldigd zijn de betaling uitstellen of geheel achterwege laten en het instellen van een procedure door schijnmanoeuvres trachten te voorkomen om aldus minder te hoeven betalen. Vandaar dat hier een discretionnaire macht aan de rechter is gegeven.

Het tweede lid kent aan de rechter een gelijke discretionnaire macht toe ten aanzien van de termijnen, waarin het onderhoud moet worden voldaan: men vergelijke thans reeds artikel 344b B.W.

De slotbepaling van artikel 472 B.W. is weggelaten. In geval van een verhoging der alimentatie heeft de schuldeiser in de uitspraak een executoriale titel en mochten er bij verhogingen of verlagingen geschillen omtrent beweerde reeds plaats gevonden betalingen rijzen, dan is de rekestprocedure niet de plaats deze geschillen tot oplossing te brengen. Bovendien is het als regel onredelijk met terugwerkende kracht een alimentatie te verlagen en tegen een behoeftige uit dien hoofde een condictio indebiti toe te kennen. De schuldeiser kan zich tegen te hoge uitkeringen tijdens het geding tot verlaging beschermen door het instellen van een vordering in kort geding.

Mocht de rechter bij uitzondering een verlaging met terugwerkende kracht toekennen, dan kan hij nog volgens het derde lid van dit artikel, evenals in het geval dat verschuldigde termijnen zich reeds vóór of tijdens de procedure hebben opgehoopt, betaling in gedeelten toestaan."

Art. 472 (oud) BW stemt overeen met art. 1:402 lid 1 BW, behoudens dat de "slotbepaling" van art. 472 (oud) luidt: "en bepaalt zoo nodig het bedrag dat dienvolgens moet worden bijbetaald of terugbetaald."

Zoals ook in voormelde toelichting tot uitdrukking komt en door de Hoge Raad reeds is geoordeeld in zijn beschikking van 1 februari 2002, nr. R01/087, NJ 2002, 185, laat art. 1:402 BW de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting. Uit deze toelichting blijken voorts de belangrijkste gezichtspunten die volgens de wetgever bij de bepaling van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting of een wijziging daarvan in aanmerking zijn te nemen. Met inachtneming van deze gezichtspunten liggen drie data als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk, en de datum waarop de rechter beslist.

Blijkens voormelde toelichting zal in het algemeen als uitgangspunt hebben te gelden dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijziging van de bijdrage over een periode in het verleden een behoedzaam gebruik dient te maken. Die behoedzaamheid is ook geboden in een geval als het onderhavige waarin het vaststellen van de ingangsdatum op een tijdstip vóór de desbetreffende uitspraak ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. De rechter zal moeten beoordelen in hoeverre in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde kan worden verlangd dat deze gehouden is tot terugbetaling van hetgeen in overeenstemming met haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven. Een dergelijke beslissing vraagt in het bijzonder om een toereikende motivering als, zoals in het onderhavige geval, verweer is gevoerd dat erop neerkomt dat een aanzienlijk bedrag moet worden terugbetaald en de onderhoudsgerechtigde daartoe niet in staat is.

3.2.2 Uit het in 3.1 overwogene blijkt het volgende. Partijen hebben in de feitelijke instanties gedebatteerd over de ingangsdatum van de verlaagde alimentatie. De man heeft tot 8 maart 2000 - de datum van de wijzigingsbeschikking van de Rechtbank - feitelijk ƒ 2.483,31 per maand ten titel van alimentatie betaald aan de vrouw, zijnde dit het geïndexeerde bedrag van de door de Rechtbank bij de hiervoor in 3.1 onder (ii) vermelde beschikking vastgestelde alimentatie. De Rechtbank heeft bij haar beschikking van 8 maart 2000 de alimentatie-uitkering over de periode van 22 oktober 1999 (datum indiening wijzigingsverzoek) tot 8 maart 2000 (datum uitspraak) bepaald op hetgeen dienaangaande in feite is betaald of verhaald. In die beschikking heeft de Rechtbank voorts de alimentatie (slechts) verlaagd tot ƒ 2.125,-- per maand. Het ingrijpende gevolg van de beslissing van het Hof zou zijn dat op de vrouw een aanzienlijke terugbetalingsverplichting zou komen te rusten.

3.2.3 Tegen de achtergrond van het in 3.2.1 overwogene en in het licht van de feiten en omstandigheden vermeld in 3.2.2 kon het Hof ter motivering van zijn beslissing om de ingangsdatum van de tot ƒ 600,-- per maand verlaagde alimentatie te stellen op 22 oktober 1999, niet volstaan met de overweging dat de vrouw vanaf die datum rekening kon houden met een eventuele wijziging van de hoogte van de alimentatie. Voor zover het onderdeel klaagt over een ontoereikende motivering van 's Hofs voormelde beslissing, is het derhalve gegrond. Voor het overige behoeft het onderdeel geen behandeling meer.

3.3 Onderdeel II faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 12 en 13.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 mei 2001;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 20 september 2002.