Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE3228

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
36999
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE3228
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ondernemingsrecht 2003, 8 met annotatie van S. van den Berg
FED 2003/13
BNB 2003/205 met annotatie van R.E.C.M. Niessen
Belastingadvies 2003/3.12
FED 2003/76
WFR 2003/27, 2
V-N 2003/4.22 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.999

20 december 2002

RB

gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 13 februari 2001, nr. 97/22186, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de dividendbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de dividendbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 72.804, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 9 april 2002 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak van het Hof alsmede van de naheffingsaanslag.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Het Hof is ervan uitgegaan dat inkoop van eigen aandelen in beginsel moet worden aangemerkt als een gedeeltelijke liquidatie die meebrengt dat hetgeen op de ingekochte aandelen wordt uitgekeerd boven het gemiddeld op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal ingevolge artikel 3, lid 1, letter b, van de Wet op de dividendbelasting (hierna: de Wet) behoort tot de in de heffing van dividendbelasting te betrekken opbrengst en heeft daarbij geoordeeld dat geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan in het onderhavige geval van dit uitgangspunt zou moeten worden afgeweken. Dit brengt volgens het Hof mee dat voor de heffing van dividendbelasting ervan moet worden uitgegaan dat de inkoop van aandelen door belanghebbende in 1992 naar evenredigheid ten laste is gekomen van het nominaal kapitaal, de agioreserve en de winstreserves. De omstandigheid dat in de boekhouding van belanghebbende de inkoop anders is verwerkt, doet hieraan naar 's Hofs oordeel niet af.

3.2. Dit oordeel wordt in de middelen terecht bestreden. Nu belanghebbende niet is geliquideerd bestaat er geen goede reden de onderhavige inkoop van eigen aandelen te behandelen als een uitkering in de zin van artikel 3, lid 1, letter b, van de Wet. Derhalve kan niet op grond van die bepaling worden geoordeeld dat het bij de inkoop van de aandelen in 1992 betaalde bedrag naar evenredigheid ten laste van het gestorte kapitaal en de winstreserves moest worden gebracht.

3.3. Vast staat dat de voor de inkoop van eigen aandelen in 1992 door belanghebbende betaalde koopprijs van ƒ 4.900.000 in haar boekhouding voor ƒ 24.000 is afgeboekt van het nominaal aandelenkapitaal en voor ƒ 4.876.000 van haar winstreserve. Dit brengt, anders dan het Hof heeft geoordeeld, mee dat de betaling van de koopprijs voor de eigen aandelen niet voor een deel ten laste van de agioreserve van belanghebbende is gekomen en dat belanghebbende de door haar in 1995 uitgereikte bonusaandelen onverkort ten laste van haar agioreserve kon brengen.

3.4. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Inspecteur en de naheffingsaanslag,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 630 (€ 285,88), alsmede het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van ƒ 80 (€ 36,30), derhalve in totaal ƒ 710 (€ 322,18),

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1420 (€ 644,37) voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2002.