Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE3167

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-05-2002
Datum publicatie
24-05-2002
Zaaknummer
37012
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2002/314
BNB 2002/319 met annotatie van R.E.C.M. Niessen
WFR 2002/818
V-N 2002/30.14 met annotatie van Redactie
NTFR 2002/725 met annotatie van mr. M Rietdijk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.012

24 mei 2002

TVW

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 16 maart 2001, nr. 258/99, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 227.577, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 203.977.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 158.977, waarvan een bedrag van f 102.480 belast naar het tarief van artikel 57 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij verweerschrift zich met betrekking tot het antwoord op de vraag of de bestemmingswijzigingswinst belastbaar is in het onderhavige jaar, gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende dreef tot en met 30 april 1995 een landbouwbedrijf. Per 1 mei 1995 heeft belanghebbende zijn onderneming gestaakt. Tot het tijdstip van de staking vonden er bedrijfsmatige activiteiten in het kader van belanghebbendes landbouwbedrijf plaats.

De oorspronkelijke boerderij bestond uit een bedrijfs- en een woongedeelte met een afzonderlijke stal. Deze boerderij - die in een bouwvallige staat verkeerde - is in de jaren 1990 en 1991 grotendeels gesloopt. Slechts het casco van het woongedeelte is behouden gebleven. In 1992 is gestart met de nieuwbouw van een landhuis, waarin het casco van het voormalige woongedeelte is opgenomen. Het nieuwe landhuis is ten dele gebouwd op de plaats waar voorheen het bedrijfsgedeelte van de boerderij was gesitueerd.

Vanaf ongeveer 1995 was het nieuwe landhuis geschikt voor bewoning, en in dat jaar is belanghebbende dit ook volledig gaan bewonen.

3.2. Voor het Hof was tussen partijen, voorzover in cassatie van belang, in geschil of de bestemmingswijzigingswinst, die betrekking heeft op de ondergrond van het voormalige bedrijfsgedeelte van de boerderij dat na de sloop en (ver)bouw als ondergrond van het landhuis is gaan dienen, belastbaar is in het onderhavige jaar dan wel reeds in 1990 in de heffing had moeten worden betrokken.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de volledige ondergrond van de voormalige boerderij ook tijdens de sloop en (ver)bouw, tot aan de staking van de onderneming, dienstbaar is gebleven aan de bedrijfsvoering van de landbouwonderneming en niet aan de feitelijke uitoefening van het landbouwbedrijf is onttrokken, nu belanghebbende tot het stakingstijdstip, ondanks de sloop en (ver)bouw, zowel het bedrijfs- als het woongedeelte van de voormalige boerderij met ondergrond is blijven aanmerken als bedrijfsvermogen, welke etikettering door de Inspecteur is gerespecteerd. Het Hof heeft vervolgens de feitelijke verandering per 1 mei 1995 aangemerkt als omstandigheid die meebrengt dat de desbetreffende grond voortaan buiten het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf zal worden aangewend, met welke omstandigheid de waardeverandering van de grond verband houdt.

3.4. Tegen deze oordelen keert zich het middel met het betoog dat aan de etikettering van de grond geen doorslaggevende betekenis toekomt bij de beoordeling of sprake is van een bestemmingswijziging, en dat reeds in 1990 een bestemmingswijziging heeft plaatsgevonden, zodat in 1995 geen bestemmingswijzigingswinst kan worden belast.

3.5. Van een bestemmingswijziging als bedoeld in artikel 8, lid 1, letter b, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1995) is reeds sprake indien grond die ten behoeve van het landbouwbedrijf in gebruik is, waarschijnlijk binnenkort zal worden onttrokken aan het gebruik ten behoeve van de landbouw in eigenlijke zin. Zoals het middel terecht stelt, kan sprake zijn van een bestemmingswijziging terwijl tussen de desbetreffende grond en het landbouwbedrijf nog een zodanig verband bestaat, dat het de ondernemer vrijstaat deze zaak tot het ondernemingsvermogen te blijven rekenen. Voor een zodanige keuze geldt immers niet de strenge eis dat de grond geheel of nagenoeg geheel voor de feitelijke beoefening van de landbouw wordt aangewend.

3.6. Gelet op het hiervóór in 3.5 overwogene, is 's Hofs oordeel dat zich eerst op het stakingstijdstip een bestemmingswijziging heeft voorgedaan, gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting. Dit kan echter slechts tot cassatie leiden indien zou moeten worden geoordeeld dat - ervan uitgaande dat de bestemmingswijziging reeds in 1990 heeft plaatsgevonden - de met de bestemmingswijziging verband houdende waardeverandering reeds vóór het stakingstijdstip in 1995 is gerealiseerd. Het belastbare voordeel wordt immers niet genoten op het moment waarop de bestemmingswijziging plaatsvindt, maar op het moment waarop de als gevolg van die bestemmingswijziging opgetreden waardeverandering wordt gerealiseerd, zoals door verkoop van de grond of door overbrenging van de grond naar het privé-vermogen. Belanghebbende is de desbetreffende grond tot de staking van zijn landbouwbedrijf steeds tot zijn ondernemingsvermogen blijven rekenen, hetgeen door de Inspecteur is gevolgd. Uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijken geen omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de grond diende te worden overgebracht naar het privé-vermogen op een eerder tijdstip dan dat waarop belanghebbendes landbouwbedrijf is gestaakt. 's Hofs oordeel dat de onderhavige bestemmingswijzigingswinst belastbaar is in het onderhavige jaar is derhalve, wat er zij van de daarvoor gebezigde gronden, juist. Het middel faalt.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2002.