Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE2759

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2002
Datum publicatie
09-09-2002
Zaaknummer
00954/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE2759
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

18 juni 2002

Strafkamer

nr. 00954/01

AG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 april 1997, nummer 20/002003-96, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 2 januari 1995 - de verdachte ter zake van "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.M.C.C. Verblackt, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM ten onrechte niet heeft geleid tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging.

3.2. Voorzover het middel blijkens de toelichting het oog heeft op de overschrijding van de redelijke termijn in de periode van de berechting in hoger beroep, kan het niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.3. Het middel klaagt verder dat in deze zaak in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, door het tijdsverloop tussen de datum van het bestreden, bij verstek gewezen, arrest en de datum waarop die uitspraak aan de verdachte in persoon is betekend. Het middel betoogt dat zulks dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging.

3.4. Uit de stukken blijkt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende:

(i) het bestreden arrest dateert van 2 april 1997;

(ii) op 14 april 1998 is de mededeling uitspraak betekend op de wijze zoals voorzien in art. 588, eerste lid onder b sub 3°, Sv;

(iii) op 15 april 1998 is verzocht de verdachte op te nemen in het opsporingsregister van de Centrale Recherche Informatiedienst;

(iv) op 2 juni 1998, 6 oktober 1998 en 24 december 1998 is door het ressortsparket te 's-Hertogenbosch bij het Bureau vestigingsregister telkens navraag gedaan omtrent het beschikbaar zijn van gegevens over de woon- of verblijfplaats van de verdachte waarop telkens is medegedeeld dat daaromtrent niets bekend was;

(v) op 19 december 2000 is aan de verdachte, bij gelegenheid van diens insluiting op het politiebureau te Venlo, in persoon mededeling gedaan van de bestreden uitspraak.

3.5. Nu de mededeling uitspraak niet binnen een jaar na de uitspraak is betekend doch korte tijd na afloop van dat jaar en nu niet blijkt dat in de periode tussen 24 december 1998 en 19 december 2000 is getracht de verstekmededeling aan de verdachte uit te reiken hetzij in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv, is er voor wat betreft de betekening van de mededeling uitspraak van het bestreden arrest sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in het eerste lid van art. 6 EVRM (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.19). Het middel is in zoverre gegrond.

3.6. Bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij het verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, moet, ook indien het totale procesverloop in aanmerking wordt genomen, eerstgenoemd belang prevaleren. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf als hiervoor onder 1 vermeld en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en kan met dat oordeel worden volstaan.

3.7. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 18 juni 2002.