Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE2646

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-06-2002
Datum publicatie
18-06-2002
Zaaknummer
02264/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE2646
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 437, geldigheid: 2002-06-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 365

Uitspraak

18 juni 2002

Strafkamer

nr. 02264/01

HJH/AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 maart 2001, nummer 22/002439-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1940, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Dordtse Poorten" te Dordrecht.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 21 september 2000 - de verdachte ter zake van feit 1. "medeplegen van het opzettelijk uitlokken van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod; en medeplegen van het opzettelijk uitlokken van: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", feit 2. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" en feit 3. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Ficq-Kengen, advocaten te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat

de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van de schriftuur

3.1. De toelichting op de in de schriftuur onder III, IV, V en VI gepresenteerde middelen vangt als volgt aan:

"Nu rekwirant zelf niet meer in de mogelijkheid is onder de huidige wetgeving om cassatiemiddelen in te dienen, wil rekwirant graag het navolgende in deze schriftuur van zijn raadslieden naar voren brengen, waardoor deze klachten voldoen aan de eisen die de huidige wet daaraan stelt."

3.2. Uit deze toelichting moet worden afgeleid dat de als middelen III, IV, V en VI aangeduide klachten door de verdachte zelf zijn opgesteld en dat de opstellers van de schriftuur daarvoor niet de verantwoordelijkheid nemen. Bedoelde klachten kunnen daarom niet worden aangemerkt als door een raadsman ingediende middelen van cassatie in de zin van art. 437, tweede lid, Sv en moeten derhalve buiten bespreking blijven.

4. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 18 juni 2002.