Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE2513

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-09-2002
Datum publicatie
20-09-2002
Zaaknummer
C01/006HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE2513
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 479
NJ 2004, 171 met annotatie van H.J. Snijders
RvdW 2002, 144
S&S 2003, 25
JWB 2002/317
JBPR 2003/3 met annotatie van HWW
JOR 2002/213
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 september 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/006HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. H.H. Barendrecht.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 31 juli 1996 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Leeuwarden en, na wijziging van eis, gevorderd bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen:

- om binnen 3 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de houten schouw aan [eiser] af te geven op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van ƒ 500,-- per dag dat aan dit vonnis niet wordt voldaan;

- tot betaling aan [eiser] van een bedrag van ƒ 5.621,-- (incl. BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat [verweerder] in verzuim was tot aan de dag der algehele voldoening, althans tot betaling van een redelijk bedrag als vindersloon.

[Verweerder] heeft de vorderingen bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 10 december 1997 de vorderingen van [eiser] afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.

Bij arrest van 20 september 2000 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank van 10 december 1997 bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten vermeld in de conclusie van de Procureur-Generaal onder 1.

3.2 [Eiser] heeft aan zijn onder 1 vermelde vordering, voorzover in cassatie van belang, ten grondslag gelegd dat hem krachtens art. 3:120 en 124 BW een vorderingsrecht toekomt inzake de ten behoeve van de boot gemaakte stallingskosten, alsmede een retentierecht, en dat hij krachtens art. 3:295 BW recht heeft op afgifte van de boot. Nadat de Rechtbank de vorderingen van [eiser] had afgewezen, heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.

3.3 Het Hof heeft de vordering tot afgifte van de boot niet toewijsbaar geacht, omdat de in art. 3:295 BW aan de schuldeiser/retentor gegeven mogelijkheid om een zaak die uit zijn macht is geraakt op te eisen, niet kan worden uitgeoefend tegen de eigenaar van de zaak. Voorzover [eiser] in hoger beroep als grondslag voor de vordering van stallingskosten het houderschap te goeder trouw (art. 3:120 in verbinding met 3:124 BW) heeft gehandhaafd, heeft het Hof ook die vordering niet toewijsbaar geacht. Volgens het Hof kan van [eiser] niet worden gezegd dat hij houder te goeder trouw was, nu hij geheel onbekend was met de identiteit van zijn wederpartij, en hij daar, zoals hij zelf heeft gesteld, ook niet naar heeft geïnformeerd, terwijl naar het oordeel van het Hof in redelijkheid enig onderzoek omtrent de persoon van de pretense inbewaringgever alsmede diens bevoegdheid tot in bewaring geven - gelet op de omstandigheden van het geval - op zijn plaats zou zijn geweest. Voorzover [eiser] bedoeld zou hebben in hoger beroep zijn vordering tot vergoeding van kosten te gronden op een bewaargevingsovereenkomst, heeft het Hof overwogen dat vaststaat dat tussen [verweerder] en [eiser] nimmer een overeenkomst van bewaargeving heeft bestaan. Ook overigens is geen rechtsgrond gesteld of gebleken, op grond waarvan [verweerder] gehouden zou zijn tot betaling van de bedoelde kosten, aldus het Hof.

3.4 Onderdeel 1 richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot de op art. 3:120 in verbinding met 3:124 BW gegronde vordering tot betaling van de stallingskosten.

3.4.1 Het onderdeel neemt met juistheid tot uitgangspunt dat de goede trouw van de houder in de zin van art. 3:120 in verbinding met 3:124 BW niet op dezelfde wijze moet worden beoordeeld als de goede trouw van de bezitter in de zin van art. 3:118 lid 1 BW en eveneens dat de goede trouw van de houder wordt beoordeeld naar hetgeen hij wist of behoorde te weten omtrent de bevoegdheid ten aanzien van het goed van degene voor wie hij het goed houdt. Eveneens is juist dat de goede trouw moet worden beoordeeld naar het tijdstip van het ontstaan van de rechtsverhouding waarop het houderschap berust, en dat op overeenkomstige wijze bij de toepassing van het bepaalde in art. 3:291 lid 2 BW moet worden beoordeeld wat de houder wist of behoorde te weten omtrent de bevoegdheid van zijn wederpartij tot het sluiten van de overeenkomst met betrekking tot het goed. Daarbij hangt van de omstandigheden van het geval af in hoeverre van de houder onderzoek naar de bevoegdheid van zijn wederpartij kan worden gevergd.

3.4.2 Anders echter dan het onderdeel betoogt, dient de goede trouw van de houder niet te worden verondersteld, zoals blijkens art. 3:118 lid 3 BW wel het geval is bij de vraag of een bezitter te goeder trouw is. Zowel bij de toepassing van art. 3:124 BW als bij de toepassing van 3:291 lid 2 BW rusten op de houder de stelplicht en bewijslast ter zake van de feiten en omstandigheden die de gevolgtrekking wettigen dat hij te goeder trouw is.

3.4.3 Eveneens anders dan het onderdeel betoogt, geeft het oordeel van het Hof niet blijk van miskenning van de in 3.4.1 vermelde uitgangspunten. Het Hof heeft onderzocht wat [eiser] wist of behoorde te weten omtrent de bevoegdheid van degene die de boot bij hem in bewaring heeft gegeven, en heeft daarbij de vraag onder ogen gezien of [eiser] voldoende onderzoek heeft ingesteld naar de bevoegdheid van zijn wederpartij tot het in bewaring geven van de boot. Het Hof heeft derhalve niet miskend dat de beoordelingsmaatstaf voor de goede trouw van de houder verschilt van die voor de goede trouw van de bezitter en dat de hier aan te leggen maatstaf dezelfde is als de ingevolge art. 3:291 lid 2 BW aan te leggen maatstaf. 's Hofs oordeel dat [eiser] onvoldoende onderzoek heeft ingesteld naar de bevoegdheid van degene die de boot bij hem in bewaring gaf - met wiens identiteit [eiser] naar 's Hofs vaststelling geheel onbekend was -, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel geeft evenmin ervan blijk dat het Hof uit het oog heeft verloren dat de mate waarin onderzoek van de houder mag worden verwacht, afhangt van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard, de omvang en de mate van uitzonderlijkheid van de werkzaamheden die de wederpartij van de houder van deze verwacht.

Het Hof heeft voorts kennelijk en terecht de goede trouw van [eiser] beoordeeld naar het tijdstip van de totstandkoming van de overeenkomst en is daarbij kennelijk tot de slotsom gekomen, dat in de gegeven omstandigheden [eiser] reden had aan de bevoegdheid van de hem geheel onbekende persoon te twijfelen, welke twijfel hij vervolgens niet bij een van hem te verlangen onderzoek heeft weggenomen. Aldus oordelend is het Hof bij de beantwoording van de vraag of [eiser] te goeder trouw was, niet uitgegaan van een ander tijdstip dan dat van de totstandkoming van de overeenkomst met de bewaargever.

Het Hof heeft de vraag of [eiser] recht op vergoeding van zijn kosten had en een recht van retentie beantwoord aan de hand van de rechtsverhouding krachtens welke [eiser] houder was geworden. Voorzover het onderdeel van een andere lezing van het arrest uitgaat, kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

De in het onderdeel aangevoerde rechtsklachten stuiten op het voorgaande af.

3.4.4 Ook de in onderdeel 1 aangevoerde motiveringsklachten falen. 's Hofs oordelen zijn niet onbegrijpelijk en niet ontoereikend gemotiveerd. De klacht dat het Hof essentiële stellingen van [eiser] niet heeft behandeld, faalt. De in dit verband genoemde stellingen, dat [eiser] een professionele bewaarder is, dat de boot is aangeboden op een wijze die in de branche gebruikelijk is, en dat dieven hun gestolen waar zelf plegen te bewaren en te verkopen en niet aan een professionele bewaarder in bewaring plegen te geven, sluiten immers niet uit dat er, zoals het Hof heeft aangenomen, op grond van de omstandigheden van het geval niettemin twijfel bestaat over de goede trouw van [eiser] als houder.

3.5 Onderdeel 2 richt zich tegen het oordeel van het Hof dat als uitgangspunt geldt dat de in art. 3:295 BW aan de schuldeiser/retentor gegeven mogelijkheid om een zaak die uit zijn macht is geraakt op te eisen, niet kan worden uitgeoefend tegen de eigenaar van de zaak en dat daarbij niet van belang is of de retentor de zaak al dan niet vrijwillig heeft afgegeven. Het onderdeel faalt op de gronden vermeld in de punten 11 en 13 van de conclusie van de Procureur-Generaal.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.G. Pos, D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 20 september 2002.